‘permanent beta’ en stedelijke experimenten

Source: RUIMTEVOLK

experimentfabcity

3 juni 2016 • REDACTIE

Tijd van Experimenten

Het experiment krijgt een steeds belangrijkere plek in het debat over de ruimtelijke ordening. Maar hoe voorkom je dat de experimenteerstatus een dekmantel wordt voor een gebrek aan innovatief vermogen?

Scheidend burgemeester van Eindhoven Rob van Gijzel benadrukte het afgelopen woensdag nog maar eens in de Volkskrant: steden lenen zich uitstekend voor experimenten. De stad is een broedplaats voor innovatie, en de nationale overheid zou ruimte in de wet moeten laten om vernieuwing uit te proberen. Waarom niet eens experimenteren met taxi-app Uber in plaats van gelijk verbieden, vraagt Van Gijzel zich af.

Het experiment krijgt een steeds belangrijkere plek in het debat over de ruimtelijke ordening. Misschien leven we wel in een tijd van ‘permanent beta’, zoals Jurgen Hoogendoorn eerder schreef op RUIMTEVOLK, ‘waarbij lokaal geformuleerde prototypen (een werkend begin van een antwoord op een vraag die nooit af is) werkzaam zijn voor zolang als het duurt en daarmee per definitie tijdelijk’.

Ook vanuit de wetenschap is er toenemende interesse voor stedelijke experimenten. Op 20 mei sprak Professor Rob Raven aan de Universiteit Utrecht zijn oratie ‘Transities in de Experimentele Stad’ uit, waarin hij precies op deze vragen ingaat. De wereld wacht de komende decennia een enorme verstedelijkingsopgave, aldus Raven. De hierbij horende duurzaamheidsopgaven vragen om vernieuwing en experimenten. Raven wil deze stedelijke experimenten de komende jaren verder gaan onderzoeken.

Hij maakt hierbij gebruik van ideeën uit het vakgebied van de transitiestudies. Centraal idee in dit vakgebied is dat er een systeemverandering noodzakelijk is, en de vernieuwing die hiervoor noodzakelijk is vooral gevonden kan woorden in nieuwe experimenten (‘niches’). Tot nu toe richtte de transitiestudies zich vooral op sectoren en technologieën, terwijl Raven met zijn nieuwe leerstoel de stad onder de loep gaat nemen.

In de afgelopen vier NEXT Steps bijeenkomsten, die wij organiseren in samenwerking met de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR), zagen we diverse experimenten voorbijkomen. Circulaire gebiedsontwikkeling in Buiksloterham, spontane planologie in Oosterwold en diverse nieuwe ideeën voor de omgang met gezondheid in Utrecht. Gasten en deelnemers hielden regelmatig een pleidooi voor meer experimenteerruimte. Maar dit roept natuurlijk ook vragen op.

Want ligt het gevaar niet op de loer dat experimenteerruimte een excuus is voor partijen om écht te innoveren? En hoe leerzaam zijn pilots eigenlijk als ze grotendeels geïsoleerd zijn van de complexe realiteit? Zijn experimenten echt anders, of is er sprake van labwashing, en hebben we hier te maken met oude wijn in nieuwe zakken? Wordt het leerproces rondom de experimenten eigenlijk wel goed georganiseerd? En zijn partijen bereid ook daadwerkelijk lessen te leren en conclusies te trekken?

Op de IABR zijn er de komende weken diverse interessante bijeenkomsten die aan deze problematiek raken. Op 10 juni spreekt de Britse professor Harriet Bulkeley over The Power of Experiments. In onze NEXT Steps #5 op 14 juni gaan we in onder meer gesprek met de Belgische theatermaker Lucas de Man over de experimentele praktijken die hij vond in Europa om tot een inclusieve stad te komen. En tot slot gaan we in de allerlaatste Next Steps (datum nog niet bekend) in op de rol van experimenten in het stad maken van de toekomst.


Foto boven: Living Lab Fabcity op het Java-Eiland in Amsterdam, foto: EU 2016 NL via Flickr, CC BY-SA 2.0)

Tijd en Autonomie! Nu, niet in 2032.

Bron: blogcollectief onderzoekonderwijs.net

Wat heeft het onderwijs NU nodig?

17 september 2016 door Dick van der Wateren

Randvoorwaarden voor de verdieping van Onderwijs2032

Er wordt veel gepraat en geschreven over het onderwijs. Zaken als het lerarentekort en de problemen in het rekenonderwijs drukken ons met de neus op de feiten. Wat heeft het onderwijs nodig om de problemen de baas te worden en met vertrouwen toekomstgericht te zijn? ‘Ons Onderwijs2032’, ook wel het Rapport Schnabel genoemd, is een poging om het onderwijs aan te passen aan de eisen die de maatschappij in deze tijd stelt. Wij stellen vast dat een aantal belangrijke elementen nog aan het voorstel ontbreken.

Als individuele docenten met verschillende visies heeft ieder van ons zich actief met dat debat bemoeid. Voor buitenstaanders, en soms ook voor onszelf, leek het alsof onze individuele ideeën en oplossingen heel ver uit elkaar lagen. Er wordt dan snel geconcludeerd: ‘zoveel docenten, zoveel verschillende meningen, we moeten toch verder.’ Wij zijn bij elkaar gaan zitten en het bleek toch anders te zijn. We zijn het juist eens over wat praktisch en concreet moet veranderen om de problemen de baas te worden en toekomstgericht te zijn. Echter, deze concrete en praktische oplossingen missen we in het eindrapport Onderwijs2032.

Om die discussie goed te voeren, waarbij we er zeker van zijn dat iedereen weet waarover het gaat en dezelfde taal spreekt, moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Het gevaar is anders groot dat een nieuw curriculum wordt ontwikkeld door enkele oncontroleerbare instituten (bijvoorbeeld SLO en Cito) en niet door degenen die het curriculum uiteindelijk moeten uitvoeren, namelijk de leraren zelf.

Twee dingen moeten dan ook NU dringend worden aangepakt, wil er überhaupt sprake zijn van ‘het uitwerken van een nieuw curriculum’ en ‘meer verplichte verdieping en verbreding.’ Grote ambities in abstracte termen zonder oog voor de noodzakelijke randvoorwaarden hebben in het verleden al genoeg tot grote problemen geleid, zoals genoemd in het parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen. We kunnen dat alleen doorbreken als de politiek werkelijk lessen trekt uit de aanbevelingen van deze ‘commissie Dijsselbloem’. De twee zaken die daadwerkelijk NU aangepakt moeten worden zijn tijd en autonomie. Wij willen dat de politiek nu even rust inlast en concrete maatregelen neemt die de beroepsgroep de tijd geeft te gaan werken aan vernieuwing.

Tijd

Het ontbreekt ons aan genoeg tijd. In het basisonderwijs worden wij geacht om alles voor te bereiden en te verwerken in amper één uur voor en één uur na schooltijd. In het voortgezet onderwijs krijgen we per les van 50 minuten ongeveer 15 minuten voorbereidingstijd en 15 minuten om op te sparen voor nakijktijd. In Nederland geven we per voltijdsbaan simpelweg 20% meer les dan het Europees gemiddelde.

De Tweede Kamer nam in juni 2016 een motie aan om het gemiddeld aantal lesuren per week met 20% terug te brengen tot het gemiddelde van Europa. Het is dus niet zo dat we dan in de voorhoede van Europa komen. Toch heeft de regering al gezegd dat het geld kost en dat dit geld er niet is. Beleidsmakers willen graag de onderwijsresultaten spiegelen aan voorbeeldlanden als Finland en Singapore. Maar daar is het aantal lessen per voltijdsbaan fors minder dan het Europees gemiddelde. Onderwijs2032 gaat er vanuit dat het onderwijs beter wordt van vernieuwing. Het is een utopische visie dat we nog meer kunnen doen. Docenten hebben nu al fors te weinig tijd.

Autonomie

In Nederland is er een grote bestuurslaag in het onderwijs: het ministerie, de inspectie, sectorraden, besturen en een woud aan adviserende en beleidsbepalende stichtingen. Deze bestuurslaag overstelpt ons in ons dagelijks werk met opgelegde bestuurlijke ‘onderwijsvisies’. Visies, geschreven door mensen die heel ver af staan van de werkvloer en menen het onderwijs te verbeteren door ons die visies op te leggen. Ze zeggen ons niet alleen wat we moeten doen maar vooral ook hoe. Als het niet het gewenste resultaat gaf, dan lag het aan de docent die het niet goed uitvoerde. Ook in de rekendiscussie is dat het geijkte antwoord om de vernieuwing door te zetten terwijl die averechts werkt. Behalve dat het niet productief is, kost het ook handenvol geld. Er is de afgelopen jaren een enorme kloof ontstaan tussen hoeveel geld we per leerling per jaar aan onderwijs uitgeven en hoeveel daarvan op de werkvloer terechtkomt.

Autonomie is het tweede verschil met de landen waaraan onze beleidsmakers zich zo graag spiegelen. Geef de beroepsgroep van docenten de professionele ruimte. Het is een onjuiste gedachte dat een grote bestuurlijke ‘kleilaag’ nodig is als controlemechanisme om het onderwijsniveau te bewaken. In de thuiszorg heeft Buurtzorg bewezen dat autonomie op de werkvloer werkt. Ook in het onderwijs is die omslag nodig. Daarvoor is collectieve autonomie nodig: autonomie voor de beroepsgroep zodat we kunnen samenwerken, binnen en buiten school, aan beter onderwijs. Een uitwerking hiervan is te vinden in ‘Het Alternatief’.

Autonomie maakt het onderwijs beter en het beroep van leraar weer aantrekkelijk. Als leraren centraal staan en de professionele ruimte en het vertrouwen krijgen, kunnen we ons werk doen volgens de maatstaven van de beroepsgroep. Ook de jaarlijks terugkerende perikelen rond de Centrale Examens laten zien dat de ruimte voor het ‘wat en hoe’ voor ons als beroepsgroep te beperkt is. Bij de rekentoets en bij de eindtoets van het basisonderwijs zien we vergelijkbare problemen. Daarbij staat de basisschooldocent onder druk door de toetsbatterij van het leerlingvolgsysteem.

Oproep

We zitten nu in de ‘verdiepingsfase’ van Onderwijs2032. Wij als docenten worden opgeroepen om aan te geven of Onderwijs2032 de juiste richting is en of we er invulling aan kunnen geven. Ons antwoord is helder: we missen de oplossingen van de werkelijke problemen van nu. Geef ons tijd en autonomie. Het heeft geen zin om te filosoferen over abstracties als ‘onderwijs dat leerlingen beter begeleidt in hun ontwikkeling tot volwassenen die vaardig, aardig en waardig zijn’ als de randvoorwaarden niet op orde zijn.

Daarom onze oproep aan de politiek: Zorg NU voor tijd en autonomie voor werkelijke verbetering van het onderwijs. Dat zal ons als beroepsgroep de noodzakelijke ruimte geven om verder te praten over vernieuwing.

Collega docenten: laat uw stem horen op bijeenkomsten van de Onderwijscoöperatie en onderschrijf deze oproep (adhesieverklaring).

Peter Althuizen, docent Klassieke Talen VO
Inge Braam, docent PO
Liesbeth Breek, docent Frans VO
Martin Bootsma, docent PO
Frans Droog, docent Biologie VO
Michelle van Dijk, docent Nederlands VO
Jelmer Evers, docent Geschiedenis VO
Steven Geurts, docent Biologie VO
Frans van Haandel, docent Wiskunde VO
Henk ter Haar, docent Nederlands VO
Ton van Haperen, docent Economie VO
Karin den Heijer, docent Wiskunde VO
Per-Ivar Kloen, docent biologie VO
Arnoud Kuijpers, docent Nederlands VO
Wera de Lange, docent Duits, Maatschappij VO
Arjan van der Meij, docent Natuurkunde VO
Bart Ongering, docent Engels VO
Thijs Roovers, docent PO
Jasper Rijpma, docent Geschiedenis VO
Mark van der Veen, docent PO
Dick van der Wateren, docent Natuurkunde VO
Marjolein Zwik, docent PO

_____________________

Ga naar adhesieformulier

Een korte versie van dit stuk verscheen in Trouw 17 september.
Je kunt deze verklaring printen: http://tinyurl.com/onderwijsprintbrief

Meer lezen

(Als je je wil informeren over o.a. collectieve autonomie en werkdruk.)

Saskia Adriaens, Vincent van Grinsven, Liesbeth van der Woud en Henk Westerik (2016). Werkdruk in het basisonderwijs. DUO Onderwijsonderzoek. Pdf

Gert Biesta (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Culemborg: Uitgeverij Phronese.

Rob Boerman (2005). Professionele autonomie
in het onderwijs. VHZ, april 2005, 16-19. Pdf

Jelmer Evers en René Kneyber (2015). Flip the System. Changing education from the ground up. New York: Routledge.

René Kneyber en Jelmer Evers (2013). Het Alternatief: Weg met de afrekencultuur in het onderwijs! Uitgeverij Boom, Amsterdam.

René Kneyber en Jelmer Evers (2015). Het Alternatief 2 – Het Alternatief 2 De ladder naar autonomie. Culemborg: Uitgeverij Phronese.

Fenna Vergeer (redactie) (2011). De onderwijsbubbel. Apeldoorn: Uitgeverij Maklu.

Day Dreaming, Unthinking en Creativiteit

Bron: Bloomon blog

Waarom krijg je altijd de beste ideeen onder de douche?

TRING! De wekker! Opstaan. Oke, eerst koffie aanzetten en mijn telefoon van de vliegtuigmodus. Even de foto van een collega op Facebook liken. Snel een broodje eten. Journaal aan op TV. Whatsapp waar het etentje vanavond is. Koffie naar achter en hoppa snel naar het werk. Oja die meeting over dat ellendige project. Haha die ene van finance heeft een nieuw kapsel. Nog even die berg mail wegwerken. Mooi, tijd om nog even online wat te kopen. Computer uit, en naar het etentje. Proost! Buikpijn van het lachen. Het is best laat, zin in bed. Zo nog even door Instagram. De wekker gaat alweer over een paar uur…

Onze eigen Douwe Bob zong er over bij het songfestival Slow Down, een dag later had Professor in de hersenwetenschappen Erik Scherder het erover bij ‘De Wereld Draait Door’ en het NRC scoorde heel veel reuring met het artikel ‘Alleen sukkels hebben het druk’: onze hersenen zijn overwerkt. Blijkbaar is het iets waar we vaker intrappen. We zijn druk. En precies daarom willen we dagdromen introduceren: momenten van het laten gaan van alle drukte en je gedachten de vrije loop laten. Dit is de inspiratie geweest voor het design van de bossen voor de komende zeven weken. Anton kiest voor lichte lila’s, blauw, dromerige creaties en hints van wit en roze.

Maar hoe zit dat nou met die creatieve momenten onder de douche?

Wij spraken met de schrijver van de bestseller ‘Nooit meer te druk’, bedrijfspsycholoog Tony Crabbe. Op zijn cv staan de grote bazen van bedrijven als Microsoft, Disney en HSBC. Wat hij doet is hen wijzen op dat te druk zijn een keuze is. Dat we moeten ophouden met excuses verzinnen voor onze constante staat van ‘te druk zijn’. En we moeten leren wat belangrijk is en daar volle aandacht voor te hebben. Klinkt heel eenvoudig…. Toch? 

Tony combineert de dagelijkse werkelijkheid met wetenschappelijk onderzoek naar waarom we toch zo druk zijn. Feit: ons brein is een spier en die spannen we de hele dag aan. Zijn visie: we moeten het brein ontspannen om het in een goede conditie te houden. Hij noemt dat ‘deadtime’ of ‘unthinking’. Wij noemen dat dagdromen.

Je doet dit door alleen te zijn met je hersenen. Geen afleidingen. Je mag je maar op één ding focussen en geen intense fysieke inspanning doen. Dan zul je ontdekken dat je rustig, blij en creatief wordt. Daar is ook het antwoord op de douche vraag…

Nee, we gaan niet suggereren dat je veel moet gaan douchen. Maar je kunt zulke momenten natuurlijk wel inbouwen in je dag. Rij je naar je werk? Mooi! Zet de radio uit en focus echt alleen op het rijden. Is het goed weer buiten? Ga een rondje, zonder je telefoon lopen tussen je werkzaamheden door, al zijn het een paar minuten en ook hier heb je weer een ‘unthink’ moment. Jeuken je groene vingers? Ga de tuin in om daar wat rond te scharrelen, hang een hangmat op en doe echt alleen dat. Of doe het binnen door aandacht te hebben voor het afknippen en schikken van een bos bloemen.

Hangmat Blog

Dagdromen voor beginners

Slaap jij met je telefoon naast je kussen? Staan de notificaties aan voor je e-mail op je telefoon? Waarschijnlijk ben je gewend aan alle prikkels die binnenkomen via dat multifunctionele apparaat. Als jij de hele dag druk bent met deze contactmomenten, zijn je hersenen ook de hele dag druk.

Dagdromen is dus eigenlijk het ontspannen van je hersenen. Wij hebben het geprobeerd, met hele kleine stapjes want die ene Netflixserie wacht natuurlijk ook nog, maar het is best lekker. Gelukkig heeft Tony heel veel tips & tricks gegeven voor beginners en die gaan we in de komende zeven weken delen. We zijn erg benieuwd hoe jij dit ervaart.

Stop de prikkels, ga in een hangmat liggen en schep weer ruimte om je gedachten te laten dwalen. Te mijmeren. Te dagdromen.

The Future of Work in 5 Charts

Source: The Cooper Review

The Future of Work in 5 Charts

Here are 5 charts that show you the future of work, based on the present, which is likely the past depending on when you’re reading this.

Middle Management

1. The size of Middle Management will swell as the number of people who aren’t that important flood the workforce.

Middle Management - The Cooper Review

Updates

2. As the workforce grows, it will become increasingly time-consuming to keep each member of the team up to date on various statuses.

Updates - The Cooper Review

Meetings and Email

3. As meetings grow longer and longer, workers will look to email to follow up on conversations, that will then be needed to be taken back to a meeting.

The Meeting Email Cycle - The Cooper Review

Meeting Preparation

4. With so many meetings, preparing for meetings will be hard.

Prepare for Meetings - The Cooper Review

Time in Meetings

5. Without preparation, the time spent in meetings will be increasingly meaningless.
Doing in Meetings - The Cooper Review

Als leraren nou een klein beetje de mentaliteit van hun leerlingen zouden overnemen…

Nederlandse leerlingen zijn ongemotiveerd, maar ze presteren prima. We voeden ze te mondig op, vindt Aafke Romeijn. Elk voordeel heb z’n nadeel.

Bron: Vrij Nederland

Màààm, de leraar is gemeen

Foto: Bart Muhl/HH

 

Aafke Romeijn

Nederlandse leerlingen zijn ongemotiveerd, Nederlandse leraren krijgen relatief weinig betaald en zijn van onvoldoende niveau, maar tóch levert het Nederlandse onderwijs prima leerlingen af. Hoe kan dat? Het is de vraag die gesteld wordt in het OESO-rapport over de staat van het Nederlandse onderwijs dat gisteren gepresenteerd wordt, en het is de vraag die ik mezelf elke keer stel wanneer er weer een lijstje verschijnt waaruit blijkt dat het Nederlandse onderwijs het helemaal zo slecht nog niet doet. Hoe kan het toch dat ons onderwijs, ondanks alle misstanden, functioneert?

Laks en brutaal

Eerst even over die ongemotiveerde leerlingen. Ik heb een aantal universitair docenten in mijn vriendenkring die óf veel in het buitenland les hebben gegeven, of zelf buitenlander zijn. Stuk voor stuk verbazen ze zich over het mentaliteitsverschil van studenten hier en over de grens. Vaak gehoorde klacht: Nederlandse studenten zijn laks en ongeïnteresseerd. Ze stellen minder vragen, lezen hun boeken niet, en áls ze een keer hun mond opentrekken dan is het om te klagen dat het vak véél te zwaar is. In Azië zijn studenten ook stil, maar dat is omdat ze geleerd hebben dociel en meegaand te zijn. Nadeel: je krijgt slecht hoogte van ze, het is moeilijk in te schatten of iemand de stof begrepen heeft als ‘ie op elke vraag “ja” antwoord. Op Amerikaanse universiteiten stellen studenten juist eindeloos veel vragen, omdat participatie vanaf dag één een belangrijk onderdeel is van het eindcijfer. Domme vraag of niet: een Amerikaanse student zorgt dat ‘ie ‘m gesteld heeft, al is het maar voor de studiepunten.

Dit zijn natuurlijk grove generalisaties, maar ik denk dat bovenstaande observaties wel een antwoord vormen op de vraag waarom Nederlandse leerlingen zo ongemotiveerd zijn: dat is een culturele kwestie. We leren onze kinderen dat ze voor zichzelf op moeten komen, dat ze hun zegje mogen doen. Ook in de klas. Autoriteit is relatief: onze leerlingen weten dondersgoed dat docenten niet altijd gelijk hebben, en zijn niet te beroerd hem of haar daarop te wijzen. Deze mentaliteit heeft voor- en nadelen. Natuurlijk is het goed om leerlingen te kweken die zelfstandig nadenken en niet over zich heen laten lopen. Tegelijkertijd creëert dat een leerlingpopulatie die brutaal is, en gewend is geraakt aan het eigen gelijk. Wanneer de docent een laag cijfer geeft dan is hij “gemeen”, en rent de leerling naar papa en mama, die de leraar vervolgens verontwaardigd terechtwijzen.

Persoonlijk geloof ik niet dat Nederlandse leerlingen het onderwijs saaier vinden dan kinderen elders in Europa. Ik denk dat Nederlandse kinderen minder op hun mondje gevallen zijn, en dus makkelijker hun mening geven. Als je hen vraagt of ze school saai vinden, zullen ze geen twee keer nadenken, maar gewoon “ja” antwoorden. Want: waarom niet? Niemand die hen terechtwijst. Ze hebben niets te verliezen, en eerlijkheid is een groot goed.

Verantwoordelijkheidsgevoel

Tot slot nog iets over de status van het leraarschap in Nederland. Die is, in vergelijking met veel andere Europese landen, ondermaats. Leraren verdienen minder dan andere hogeropgeleiden en hebben – mede daarom – weinig maatschappelijke status. Bovendien werken ze veel, en is het niveau van veel lerarenopleidingen niet voldoende. Toch leveren we relatief goede leerlingen af. Hoe dat komt? Volgens mij is dat heel simpel: verantwoordelijkheidsgevoel.

Natuurlijk baal je als docent wel eens dat je ’s avonds laat nog zit na te kijken, zonder dat je daarvoor gecompenseerd wordt. Natuurlijk klaag je bij de koffieautomaat tegen je collega’s over het taakbeleid, of de matige CAO waar de onderwijsbonden mee akkoord zijn gegaan. Maar precies dát is de reactie van veel docenten: klagen, tegen collega’s, op school en op facebook, desnoods in de krant. Een docent zal niet snel zeggen: ik ga mijn werk pas doen wanneer ik ervoor betaald krijg. Als je betaald krijgt voor een magere zes, dan ga je als docent niet voor de klas staan als een magere zes. Daar zijn alleen je leerlingen en jijzelf de dupe van: die leerlingen kunnen er ook niks aan doen dat jouw arbeidsvoorwaarden ruk zijn, en als docent is het je passie om leerlingen iets bij te brengen. Helemaal, niet half.

Het Nederlandse onderwijs functioneert, omdat Nederlandse docenten hun werk doen, en dat doen ze over het algemeen best goed. Nederlandse docenten staken niet. Niet omdat er geen reden is om te staken, maar hé: je hebt je examenklas alleen op die middag nog een uurtje, en die moeten echt nog even door de stof voor het schoolexamen heen. Als er weer eens taakuren in een zwart gat verdwijnen dan zeg je als leraar niet: ‘Nou, dan kijk ik een maand lang geen toetsen na.’ Je leerlingen hebben immers recht om te weten hoe ze ervoor staan – en je wil zelf ook graag weten hoe de vlag erbij hangt. Als leraren nou een heel klein beetje de mentaliteit van hun leerlingen zouden overnemen, en een iets grotere mond zouden opzetten tegen de regering en de vakbonden, misschien dat er dan ooit een beetje verandering komt in hun maatschappelijke status.

Hoe maak je onderwijs geweldig?

Als de politieke partijen echt moed zouden hebben, investeren ze eerst in leraren, en niet in modieus onderwijsbeleid.

Source: Het Financieele Dagblad

Vier stappen die onderwijs geweldig maken (en vijf die niet werken)

  • Jaap Versfelt – 20 maart 2016

Illustratie: Wijtze Valkema voor het FD
Illustratie: Wijtze Valkema voor het FD

Op dit moment zijn politieke partijen bezig met het ontwikkelen van verkiezingsprogramma’s, inclusief een paragraaf over onderwijs. Het is dan heel verleidelijk om hier beloftes in op te nemen die populair zijn onder de kiezers, zoals kleinere klassen, meer geld voor onderwijs, investeren in ICT, etc. Dat trekt hopelijk stemmen. Maar leidt dit ook tot beter onderwijs? Helaas: nee. In dit verhaal zet ik op een rijtje wat bewezen werkt, en wat bewezen niet werkt. Politici kunnen hiermee hun verkiezingsprogramma’s aanscherpen (tenminste, als zij het belang van de leerling voorop zetten) en kiezers kunnen deze lijst gebruiken om te bepalen welke partijen écht voor beter onderwijs kiezen.

Er zijn drie bronnen die ik gebruik in dit verhaal: onderzoeken van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), de ‘effectlijst’ van onderwijsonderzoeker John Hattie en het McKinsey-rapport over beter onderwijs uit 2010. Ik begin met wat niet werkt, en sluit af met wat wel werkt.

Dit voorstel werd gepost op LinkedIn op 15 februari 2016
7,342 views
136 likes
22 comments

Wat werkt niet?

Er zijn vijf populaire maatregelen die aantoonbaar niet werken: kleinere klassen, meer geld, meer ICT, het aanpakken van leraren en zwakkere leerlingen buiten de klas houden.

1

Kleinere klassen
Klinkt logisch toch? Met een kleinere klas heb je meer aandacht voor de individuele leerling. Toch blijkt uit het onderzoek van Hattie dat ‘class size’ op plaats 106 staat van 138 verschillende interventies die leiden tot beter onderwijs. Er zijn dus 105 (!) andere interventies die je kunt plegen op school die een groter effect hebben op de kwaliteit van onderwijs dan het kleiner maken van klassen. Pas als je al die andere maatregelen hebt genomen heeft het zin om geld uit te geven aan kleinere klassen.

2

Meer geld naar onderwijs
Die lijkt helemaal duidelijk: als je er meer geld aan uitgeeft, dan wordt het toch beter? Nee dus. Uit McKinsey-onderzoek blijkt dat geld er niet toe doet. Voor het geld dat wij in Nederland uitgeven aan onderwijs krijg je in Ontario veel beter onderwijs. Ons onderwijs is weer beter dan dat in de VS, waar ze de helft meer aan onderwijs uitgeven. Terwijl ze in Polen maar de helft uitgeven van wat wij in Nederland doen, en daar even goed onderwijs hebben. Kortom, het gaat er niet om hoeveel geld je uitgeeft, maar wat je met dat geld doet.

3

Investeren in ICT
Nog een mooie: investeren in ICT. Klinkt ook logisch: sector na sector wordt op zijn kop gezet door bedrijven als Uber en Airbnb, die met behulp van ICT bestaande spelers links en rechts voorbij snellen. De OESO, jarenlang een warm voorstander van meer ICT in het onderwijs, concludeerde echter dat er een negatief verband is tussen de inzet van meer inzet van ICT in het onderwijs en PISA-resultaten op rekenen. Hun conclusie: technologie kan geweldige leraren nog beter maken, maar matig onderwijs niet vervangen. Kortom, eerst investeren in betere leraren, dan pas in technologie.

4

Stevig aanpakken die leraren!
Een populair idee is dat als leraren niet willen luisteren, ze maar moeten voelen. Door te meten of scholen wel een bepaalde prestatie halen en — zo niet — ze daar stevig op aan te spreken. Alleen: analyse van McKinsey laat zien dat dergelijke ‘standardized assessments’ vooral relevant zijn als je de stap van slecht naar goed onderwijs wil maken. Bij landen als Nederland, die de stap van goed naar geweldig willen maken, zijn juist ‘self evaluations’ door leraren veel belangrijker.

5

Beperk de instroom van zwakkere kinderen.
De kwaliteit van het Nederlands onderwijs staat onder druk door de instroom van kinderen uit landen met een slechter schoolsysteem. Klinkt logisch? Laten we er Hattie nog eens op naslaan. In zijn overzicht van interventies in de kwaliteit van onderwijs staan 30 (!) maatregelen die meer impact hebben op het onderwijsresultaat dan de achtergrond van het kind. Kortom, het is wát je op school doet wat belangrijk is, niet waar het kind geboren is.

Wat werkt wel?

We weten nu wat allemaal niet werkt en dat is hoogst teleurstellend, want met elk van bovenstaande punten kun je scoren. Maar wat werkt dan wel? Het goede nieuws is dat al jaren bekend is wat wel werkt. Het slechte nieuws is, is dat dit hard werken betekent. Jarenlang, en zonder dat je daar op korte termijn de populariteitsprijs mee wint. Hieronder punt voor punt wat wel werkt, hoe snel het werkt en wat het effect is op leerlingen en leraren.

1

Professionele cultuur kweken
Het creëren van een professionele cultuur op scholen waarin je van en met elkaar leert. Landen en regio’s die de stap maken van goed naar geweldig onderwijs hebben gemeen dat ze investeren in de kwaliteit van leraren. Niet door cursussen en dergelijke, maar door in alle scholen een cultuur van ‘elke dag samen een beetje beter’ te creëren. McKinsey-onderzoek in Canada, VS, Finland, Singapore, Zuid-Korea, China, Duitsland en Estland heeft dit aangetoond.

2

Leraren beter trainen
Er zijn bewezen strategieën om de professionaliteit van leraren te verhogen. Niet alleen McKinsey vond een set van praktijken die de professionaliteit van leraren versterkt, ook de OESO deed hier onderzoek naar. Zij zagen het belang van lerarenopleidingen waar aanstaande leraren in de lespraktijk worden opgeleid, inductieprogramma’s voor nieuwe leraren op school, ervaren leraren die samen de lespraktijk onderzoeken en leraren die aangemoedigd worden in netwerken buiten de eigen school actief te worden.

3

Grote stappen
Als je je schouders eronder zet, kun je in 5 tot 7 jaar een enorme stap maken voor miljoenen leerlingen. Professionalisering van honderdduizenden leraren kost tijd. Maar als je het goed aanpakt kan het enorm snel gaan. In Singapore halveerde tussen 1990 en 1995 het aantal leerlingen dat zakte voor het toelatingsexamen voor middelbaar onderwijs. En wat helemaal opvalt: alle kinderen hebben hier baat bij: niet alleen de leerlingen die het al goed deden, maar nog meer de leerlingen die een achterstand hadden.

4

Hoe beter, hoe tevredener
Professionele leraren zijn veel tevredener. Mocht je je afvragen of je met deze maatregelen de populariteitsprijs onder leraren wint? Het goede antwoord is: ja. Alleen niet morgen. Als je de cijfers laat spreken, zie je dat leraren die professioneler zijn tevredener zijn over de status van het beroep, over hun professie, over hun werkomgeving en over hun eigen bekwaamheid.

Beter onderwijs voor miljoenen leerlingen is haalbaar in 5 tot 7 jaar door in te zetten op professionalisering van leraren in een schoolcultuur van ‘elke dag samen een beetje beter’. Vermijd dus verleidelijke ‘short cuts’ die niet leiden tot beter onderwijs en die de aandacht afleiden van wat wél werkt. Maar: de populariteitsprijs ga je op korte termijn niet winnen door in te zetten op een professionele cultuur op duizenden Nederlandse scholen. De afweging als partij is: populariteit op korte termijn of beter onderwijs voor miljoenen kinderen.

Jaap Versfelt is oprichter en leider van Stichting leerKRACHT.

Kan een computer creatief zijn?

AI-pionier professor Jürgen Schmidhuber heeft een model ontwikkeld voor computers die daadwerkelijk creatief kunnen zijn.

Source: The Creators Project

Kunnen computers ooit echt creatief zijn (en wat betekent dat eigenlijk)?

The Creators Project staat deze hele week in het teken van digitale kunst. Samen met vooraanstaande kunstenaars, curatoren, galeriehouders en verzamelaars verkennen we de kunstwereld van morgen.
Beeld door Immanuel de Jong

Zou jij het leuk vinden om kunst te maken voor mieren? Even serieus. Misschien heb je een paar minuten plezier, maar daarna zou het je vervelen omdat je de waardering van mieren niet begrijpt – zelfs als ze je blaadjes van hun heerlijkste schimmels brengen in ruil voor je hemelse mierenkunst kan het je waarschijnlijk weinig schelen.

Waarom is dit relevant? Waarom lees je dit op een site over kunst en technologie? Omdat dit de manier is waarop echt slimme kunstmatige intelligentie op een gegeven moment zal denken over het maken van kunst voor mensen.

Computers die kunst maken zijn al lang een fascinatie voor mensen. Kunst, en de creativiteit die daarmee gepaard gaat, zijn net als bijvoorbeeld de pizzaburger een kenmerk dat ons onderscheidt van dieren en computers. Niet lang na het uitvinden van de eerste programmeerbare computer door Konrad Zuse in 1941, begonnen onderzoekers al pogingen te ondernemen om met neurale netwerken en zelflerende algoritmes een computer te maken die iets kan maken wat wij als kunst zouden kunnen bestempelen.

Dat is ze niet bepaald gelukt.

Dat is althans de mening van professor Jürgen Schmidhuber, een AI-onderzoeker en kunstenaar die een model heeft ontwikkeld waarmee een computer daadwerkelijk creatief zou kunnen zijn.

Het probleem met de huidige computers en algoritmes die als creatief gezien worden – je herinnert je misschien de hype rond Google’s DeepDream vorig jaar – is dat ze helemaal niet zo creatief zijn.

Een still uit een video die gemaakt werd met DeepDream

Denk even na over de volgende vraag: is een maker creatief te noemen als hij of zij een kunstwerk in opdracht uitvoert, met de verf die de opdrachtgever kiest, op het oppervlak dat de opdrachtgever graag beschilderd wil hebben, met de vormen die de opdrachtgever graag wil zien en waarbij de opdrachtgever constant meekijkt?

Ja hoor, dat kan op zich prima. Michelangelo verfde ook enorme, prachtige fresco’s in opdracht van vermogende klanten. Je kan als kunstenaar prima creatief zijn binnen een opgelegd stramien. Maar stel dat dat de enige vorm van creativiteit was geweest, dan hadden de Zonnebloemen van Vincent van Gogh het licht nooit gezien.

Huidige ‘creatieve’ computers, zoals DeepDream, zijn stuk voor stuk algoritmes die leren door feedback van mensen, mensen met een bepaalde smaak. Ze werken met een medium dat ze wordt opgelegd door de programmeur. En met alles wat ze maken, zoeken ze bevestiging van hun maker of publiek om weer iets te maken dat nog iets meer bevestiging oplevert. Ze zijn broodkunstenaars die leven van bevestiging.

Hun wereld bestaat uit het produceren van werk, op zoek naar externe beloningen. De computer leert zijn feedbackgever te pleasen, met maar één overkoepelend doel: de feedbackgever nog beter pleasen.

Zo komen we terecht op een volgende vraag: is een computer die naar de pijpen van menselijke werkgevers danst daadwerkelijk creatief te noemen? Hij zal best met creatieve invullingen komen voor het medium dat wij hem leren gebruiken, maar daarbuiten zal er geen eigen motivatie zijn om zelf doelen te stellen, zelf een nieuw medium te kiezen of iets te maken, puur om het plezier van het maken.


Een kunstwerk gemaakt door ‘creatief’ programma AARON. Beeld: arcadenw

De computer zal geen volledige vrijheid in zijn creativiteit hebben, maar doelgerichte ‘creativiteit’ toepassen op een vooraf bepaald medium. Daarmee wil ik niet zeggen dat het een meer of minder creatief is – een reclame kan fantastisch vernieuwend en creatief zijn – er is alleen een verschil in motief. En dat verschil doet er toe.

Pure creativiteit, of het nou in mensen of computers zit, komt voort uit interne motivatie; een proces om iets zinnigs te maken, waarbij het leerproces even belangrijk is als de uitkomst. Daarbij zit de beloning ‘m niet in het geld of de bevestiging die de maker krijgt, maar in het intrinsieke plezier van iets nieuws maken en ontdekken. Dat is tenminste de theorie van professor Jürgen Schmidhuber.

Schmidhuber is een van ’s werelds meest vooraanstaande AI-onderzoekers. Hij publiceerde al 333 papers, won de Neural Networks Pioneer Award en is lid van de European Academy of Sciences and Arts. Zijn algoritmes wonnen al talloze AI-prijzen en worden toegepast in allerlei verschillende AI’s, waaronder de spraakherkenningssoftware in je smartphone. Zijn levensmissie om een AI te bouwen die slimmer is dan mensen (daarover later meer), dwong hem om na te denken over de meest fundamentele drijfveren om nieuwe kennis te vergaren.

Toen ik tijdens mijn research voor dit artikel op zijn paper A Formal Theory of Creativity stuitte, werd ik meteen gegrepen door de elegante eenvoud ervan. Hier was eindelijk een robotmaker aan het woord die zijn hoofd niet breekt over de nutteloze vraag of een eindproduct wel of niet creatief is, dit was iemand die uitzoekt wat de bron is van creativiteit; de motivatie om niet-willekeurige dingen te creëren die nog nooit eerder gemaakt zijn. Om vervolgens aan een computer te leren hoe dat moet.

Maar hoe definieer je creativiteit zodat een computer het begrijpt? En belangrijker nog; hoe kan je een model maken dat creativiteit voortbrengt? In andere woorden: hoe programmeer je creativiteit?

Schmidhubers antwoord: Je doet dat niet.

Kunstwerk door The Painting Fool, een AI die kunst maakt. Beeld: VICE

Even een klein stapje terug. In een youtubevideo van TEDxLausanne legt professor Schmidhuber zijn motivatie uit: “Toen ik nog een klein jongetje was, wilde ik natuurkundige worden, zoals mijn held Einstein. Totdat ik de veel grotere impact besefte van het bouwen van een kunstmatige wetenschapper, eentje die veel slimmer zou zijn dan ikzelf … En deze kunstmatige wetenschapper al het werk laten doen, dat is het plan. Daarom werd ik AI-onderzoeker.”

Schmidhuber doet al sinds het begin van de jaren negentig onderzoek om deze kunstmatige wetenschapper te bouwen, en dan vooral in de richting van wat er nodig is om een AI te bouwen die niet alleen goed is in één taak, maar alle taken kan leren en ook zelf taken kan verzinnen om zijn omgeving beter te leren begrijpen. Een beetje zoals een mens.

Om dit te doen ontwikkelden hij en zijn team modellen voor mathematisch optimale, theoretisch onverslaanbare probleemoplossers. Entiteiten die je in een volledig onbekende omgeving kan neerzetten, waar ze vervolgens mee leren omgaan. Pure creativiteit speelt daarin een essentiële rol.

Volgens Schmidhuber ontstaat creativiteit uit datacompressie. Dat klinkt misschien neerbuigend naar mensen als Rembrandt of Bach, maar volg me even, het is uiteindelijk heel logisch. Misschien zorgt het zelfs wel voor een ‘Aha!’-moment, zoals het bij mij deed.

Ik sprak Schmidhuber aan de telefoon: “In je tijd op aarde, observeer je een steeds langer wordende geschiedenis van data. Data die je oppikt met de dingen die je doet. Je brein probeert in die data de hele tijd regelmatigheden te vinden, nieuwe, onbekende regelmatigheden die dienen om de wereld te begrijpen, om beter te kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren.”

Die nieuwe regelmatigheden vind je door experimenten uit te voeren en daar iets van te leren. Maar de drijfveer om die regelmatigheden op te sporen is volgens Schmidhuber verbetering in databesparing.

“Je kan elke nieuwe regelmatigheid als volgt meten: voordat je de regelmatigheid ontdekt hebt, heb je een bepaalde hoeveelheid ruimte nodig om die data te op te slaan. Nadat je die regelmatigheid ontdekt hebt, heb je minder ruimte nodig. Elke regelmatigheid zorgt ervoor dat je ruimte (zoals synapsen) en moeite kunt besparen. Die besparing kan je meten, dat is een echt getal. En de grootte van die besparing is het wow-effect dat je meemaakt als je een nieuwe regelmatigheid ontdekt.”

Femme Fractale, een voorbeeld dat Jürgen Schmidhuber gebruikt om te laten zien hoe een nieuw ontdekte regelmatigheid een gevoel van plezier kan geven. Beeld: Jürgen Schmidhuber

En dat wow-effect – het gevoel dat je krijgt als een heel nieuw nummer luistert, een kunstwerk ziet dat je raakt of eindelijk ontdekt dat horeca staat voor hotels, restaurants en cafés – is een beloning. Een beloning die niet alleen werkt als je iets tot je neemt, maar ook als je iets bedenkt. Het is het plezier van iets opeens snappen, van iets nieuws zien dat ‘klopt’, van losse flarden van gedachten die plotseling op hun plek vallen, dát is de motivatie die ons aanzet tot het maken en willen zien van nieuwe dingen.

Het mooie aan deze manier van kijken, is dat de beloning niet afhankelijk is van bevestiging van de buitenwereld. “Je landgenoot Van Gogh kreeg nauwelijks erkenning toen hij leefde. Mensen kochten zijn werk niet, want ze gaven de voorkeur aan meer fotorealistische schilderijen. Maar hij wist de essentie van wat hij zag uit te drukken op een andere manier. Een nieuwe, niet-willekeurige manier. Hoewel zijn schilderijen niet fotorealistisch waren, bevatten ze wel wat nodig was, al duurde het even voordat mensen de regelmatigheid erin begrepen en waardeerden.”

En dat is precies wat hij een computer wil meegeven: nieuwsgierigheid naar het opzoeken van nieuwe waarheden, nieuwe regelmatigheden die op zichzelf belonend zijn omdat de computer iets beter begrijpt. Pure creativiteit, gedreven door interne beloningen. Je hoeft creativiteit dus niet te programmeren, het vloeit voort uit de drang om nieuwe, onbekende regelmatigheden te ontdekken zodat je de wereld beter begrijpt. Net als bij mensen.

Dit betekent niet dat Schmidhuber op dit moment in zijn lab kunstmatige kunstenaars heeft die geniale kunstwerken produceren. Het duurt nog wel even voordat computers genoeg rekenkracht en geheugen hebben om zo’n algemene AI te laten draaien. Toch leek het me interessant om te vragen of dit soort machines ook kunst voor mensen zouden maken en hoe dat er dan uit zou zien.

“De beste kunst voor mensen wordt op dit moment gemaakt door mensen die al veel weten over mensen,” zegt Schmidhuber. Omdat zijn opzet draait om algemene intelligentie, zal dit in de praktijk betekenen dat een AI die kunst moet maken voor mensen, eerst vrijwel alles moet leren over de fysieke wereld, over de mensheid, inclusief al onze rare culturele historie vol irrationeel gedrag, de huidige tijdsgeest en hoe onze sensoren allemaal precies werken – dingen die wij mensen vanaf onze geboorte moeiteloos hebben opgepikt omdat we vrijwel uitsluitend met mensen omgaan.

Hierbij is het grote verschil met een AI dat deze een eigen wereldbeeld heeft opgebouwd in een taal die de computer zelf begrijpt – de herinneringen (data) van de computer zijn heel anders geordend en gerangschikt dan bij mensen – waardoor de computer mensen moet leren begrijpen zoals een mens een kikker leert begrijpen. We zijn namelijk totaal andere wezens.

Volgens Schmidhauer zal het voor een algemene AI die daadwerkelijk creatief is waarschijnlijk nauwelijks interessant zijn om kunst voor ons te maken. Net zoals mensen het niet heel interessant vinden om kunst voor kikkers of mieren te maken. Of zelfs voor chimpansees.

“Stel je voor dat je kunst wilt maken voor mieren. Ze zullen vooral geïnteresseerd zijn in andere mieren, niet in jou. Je kan hun aandacht vangen met feromonencocktails, maar je weet nog niet zo veel over mieren. Je probeert dus wat dingen uit, en vind uiteindelijk wat combinaties van feromonen die de mieren leuk vinden. Het zal een tijdje boeiend zijn dat je nieuwe macht over mieren leidt tot interessante regelmatigheden in hun gedrag. Op een gegeven moment wordt dat echter saai, en zul je je aandacht weer vestigen op je eigen diersoort – het is belonender om met soortgenoten om te gaan, die je misschien ook sociale beloningen kunnen geven.”

Mocht het dus ooit zo ver komen dat computers pure creatieve kunst gaan maken, ten opzichte van werk dat alleen geproduceerd wordt om een menselijke slavendrijver te plezieren, dan zullen we die kunst helaas waarschijnlijk niet begrijpen. Misschien kunnen we het werk überhaupt niet zien met de beperkte sensoren waarmee we de wereld waarnemen.

Wie weet maakt de AI wel uitstekende streetart – in vijf dimensies. Of schildert hij een portret van een andere sexy AI met radiogolven op de maan. Of schrijft-ie een theaterstuk in gravitatiegolven.

In andere woorden: zodra een computer slim genoeg is om zichzelf te motiveren om kunst te maken, zal de kunst die daaruit voortkomt waarschijnlijk niet meer interessant zijn voor ons.

The Creators Project staat deze hele week in het teken van digitale kunst. Samen met vooraanstaande kunstenaars, curatoren, galeriehouders en verzamelaars verkennen we de kunstwereld van morgen.

Preparing Organizations to Become Design-Infused — UIE Brain Sparks — Medium

Source: Medium

Imagine what it’s like to have every co-worker, in every meeting and discussion, keeping the conversation focused on how to make your product or service deliver the best experience possible. With every hard decision you face, your team encourages you to do what’s best for your customers and users. Where the executives seriously consider delaying a release because the design isn’t the best it could be.

Sounds like an ideal world, but for a growing number of UX professionals, it’s becoming a reality. These folks work in design-infused organizations, where every individual contributor makes great design a priority in their work.

Spreading the Knowledge of Design

It takes a long time to become a design-infused organization. Many have yet to make the transition. Some organizations are approaching it. These organizations value design enough to hire and embed designers in every project. They see how design is a competitive advantage.

Getting a UX designer embedded on every team is
a fantastic achievement for most organizations.

It shows commitment to producing great experiences and is very difficult to accomplish. However, there’s still room for the organization to grow.

Becoming a design-infused organization is the next level of maturity. These organizations realize that everything affects the users’ experience. If the technology is chosen poorly, the user will be frustrated by poor performance or limited capabilities. If the wrong functions are implemented, or too many are shoved into the design, the user will become frustrated by the complexity of completing their objectives. Everyone on the team needs to think about how they affect the experience.

A design-infused organization is one where every decision is made with design at the forefront. When choices are available to the team, they’ll all choose the one that provides the best experience.

Reducing the Need for Advocacy by Spreading UX Expertise

Embedding a team with a UX designer ensures that design expertise and knowledge is within easy reach at all phases of the project. However, that designer is still in the role of advocating for good design.

Teams mature when that advocacy is no longer necessary.

The natural inclination of every team member is to work towards a great user experience as their primary consideration, even if it means choosing a harder path than one with a lesser experience.

To get to this level of maturity, the team needs to spread the knowledge and expertise of design beyond that designated designer. Every developer and product manager must become literate in the differences between bad design and good design. More importantly, they must also be literate in the differences between good design and great design, so they strive for excellence at every opportunity.

These non-designer team members must be fluent in the techniques and tools of great design. The re-emergence of design systems and pattern libraries are a great example of this. If the team is fluent in their design system — knowing how to use it and why each element exists the way it does — they’ll produce more cohesive designs faster.

Including Influencers into the Design Team

To truly be design-infused, the organization must ensure every influencer of a project has that same design literacy and fluency. When they don’t participate in the design decisions in the same way as the rest of the team, the resulting conflict produces less-than-desirable experiences.

Influencers are those organizational members whose behaviors and decisions affect the resulting user experience. These can be product owners or stakeholders who have final authority over the product or service. Influencers are also outsiders, brought in to ensure compliance, such as the legal team, or execution, such as local branch general managers.

Many influencers don’t realize the power they hold over the user experience. To overcome this, the team needs to seek out and include these influencers as part of the design team. Knowing that, somewhere along the way, the influencers will render a decision that affects the user experience, the team needs to prepare those influencers to make that decision in the best way to create a great experience.

To prepare those teams, including the influencers, we’ve uncovered three essential steps an organization has to embrace.

Step 1: Embrace Regular and Frequent Exposure to Users

Bad design (and often good-but-not-great design) happens because those people making essential design decisions didn’t foresee how their choices would play out in the users’ experiences. Providing consistent exposure to the users’ experiences is a major step to solving this.

Seeing someone use your design tells you whether the choices you’ve made helped or hurt the experience. It’s surprising how many organizations fail to provide this feedback back into their process, even when they say how important good design is to their success.

Design-infused organizations don’t skip this part of the process. They ensure their team members, including the influencers, regularly and frequently watch people using their products and services.

2 hours every 6 weeks.

Watching someone use your product or service (or a competitor’s product) for two hours every six weeks is the bare minimum we recommend for exposing team members. (Many great organizations now do even more frequent and regular exposure.) This can be one person for two hours or four people for 30 minutes — it doesn’t seem to matter.

The two hour minimum ensures the observers see enough of the experience. Every six weeks is critical, so that the team members have a fresh memory of the users and how they’re trying to succeed with the product or service. It’s a fantastic moment when a developer describes how they’ve changed a design because they saw a user become frustrated the week before.

Making this happen is a heavy commitment for an organization, not to be treated lightly. They must put infrastructure in place to ensure everyone can observe as frequently as possible. They have to adjust schedules for regular observation. It’s a big cost to make this happen.

Design-infused organizations make it a priority and put the infrastructures in place. Many go so far as to include regular observation as a base criteria in performance evaluations. An organization that says it is design driven must have exposure to users as core responsibility of every team.

Step 2: Embrace a Solid Vision of A Future Experience for Users

Design-infused teams create a shared understanding of what a great user experience is. More importantly, they know which great user experience they’re heading towards. They have a solid vision of their aspirational user experience.

A vision is like a giant flag on a stake, pushed into the sand on the horizon. Everyone can clearly see it, but it’s obviously so far away that it’ll take years to reach. Because everyone can see it, they can follow a simple order: “March toward the flag.” Regardless of where they start or distance from their members or organization, if everyone starts marching towards the flag, they’ll eventually converge.

This is how a vision works. Everyone is marching towards the same goal. The key phrase there is “same goal.”

When a team has told me they have a vision, I like to conduct a little experiment. I ask the team members to take a sheet a paper and divide it in half. In one half, I ask each person to write the milestones of Hansel & Gretel, in bullet form. In the other half, I ask them to write the key milestones of what their vision of the user experience will be five years from now.

It’s amazing to see teams that can accurately describe what happens in Hansel & Gretel. Every team member has the same description of that story. Yet those same team members don’t have any idea how to describe the experience of their own vision. Their vision also must be told repeatedly.

Coming up with an initial vision is straightforward, especially for teams that have embraced regular exposure to users. Creating a journey map of the current users’ experience will show highs and lows — points where the users are delighted and points where the users are frustrated. Teams can craft their vision by just asking how they would eliminate all the frustrating points. Put that in story form, from the perspective of the user, and you have a user experience vision to aim for.

Of course, you can change that experience later. After all, the vision is just the flag stuck in the sand. Pull the flag out of the sand and move some place else and, as long as everyone can still clearly see it, the orders remain the same: March toward the flag

Design-infused organizations bring the entire team, including influencers, in on the vision from the beginning. They ensure everyone describes the vision story the same way. Those team members can now apply a razor to every design decision they need to make: Which option gets us closer to our vision?

Step 3: Embrace a Culture of Continuous Learning

“What have we learned from our last efforts and how will this affect what we do in the future?” This is an oft-repeated refrain in an organization that has embraced a culture of continuous learning.

The United States Digital Service has adopted the unofficial motto of
“Make New Mistakes.”

Their idea is that it’s likely things won’t go as planned, but they should learn from each one. A mistake repeated means that education didn’t happen as planned.

Another popular saying is “Good judgement comes from experience and experience comes from bad judgements.” Many organizations talk about failure as a component of that work, but the best ones talk about learning as the important outcome of that failure. While teams can’t be risk adverse (which means they won’t have a chance to learn from mistakes), they also have to mitigate the risk to prevent it from being too expensive or public.

Establishing a culture of continuous learning forces the organization to create sandboxes and experiments where the opportunity to gain new information happens in a cost-effective and safe way. The organization invests in capturing that knowledge and sharing it, to help other teams prevent similar mistakes.

Reflections, critique, and retrospective sessions are the basic tools of continuous learning. Opportunities to look back at what people have tried and evaluate how effective their efforts were are essential to gaining that new knowledge and experience.

Everyone on the team needs to be part of that learning experience, including the influencers. As the influencers see what’s been tried in the past, they can adopt their perspectives to ensure the future decisions are more likely to get the team closer to its objectives.

Becoming a Design-Infused Organization

It’s the combination of these three steps that brings out the best in the organization. Exposure to how users experience the design informs the team on where they are currently. Creating an experience vision describes where they want to be. Continuous learning happens when the team experiments with moving the needle from today’s experience to the one in their vision.

Keeping users at the center of the discussion is essential for becoming design-infused. If everyone, including the most distant of influencers, are involved in those discussions, it’s hard to avoid making a better user experience.

None of these steps are expensive or complicated in their own right. However, for organizations that didn’t start with these steps in their basic operating procedures, the shift to new behaviors can be challenging.

It’s worth the effort, as the returns from embracing these steps will dramatically increase the experience of using the organization’s products and services. Better experiences result in significantly more customer delight, which increases the word-of-mouth marketing that drives more business. It’s a virtuous cycle with a high return on the investment.

Preparation is key.

Originally published on UIE.com
Source: Medium

Het Nieuwsgierige Kind – 8 Juni 2015 – KNAW

Source: KNAW

Nu online: expertbijeenkomst Het nieuwsgierige kind

16 juni 2015

Tijdens deze expertbijeenkomst op 8 juni 2015 illustreerden kunstenaars en wetenschappers wat de rol van kunst en wetenschap in het funderend onderwijs kan zijn om de nieuwsgierige en onderzoekende houding bij jonge kinderen te cultiveren en te stimuleren.

De KNAW-commissie Basis en Voortgezet Onderwijs en de Akademie van Kunsten organiseerden deze bijeenkomst naar aanleiding van de oproep van staatssecretaris Dekker aan maatschappelijke organisaties om het Platform Onderwijs2032 te voeden met ideeën voor de ontwikkeling van het curriculum in het funderend onderwijs.

Bekijk op ons Vimeo-kanaal

Sprekers:

  • José van Dijck, hoogleraar vergelijkende mediawetenschappen UvA en president KNAW, over het belang van het leren stellen van vragen
  • Carl Figdor, hoogleraar tumorimmunologie Radboud Universiteit en voorzitter KNAW-commissie Basis en Voortgezet Onderwijs, over weten wat te doen als je het niet weet
  • Maarten Kleinhans, hoogleraar aardwetenschappen, Universiteit Utrecht, over jonge onderzoekers in de zandbak
  • Barbara Visser, beeldend kunstenaar en voorzitter van de Akademie van Kunsten, over creatief met kennis – artistiek onderzoek als prisma op reguliere vakken
  • Annemieke Huisingh, projectleider Atelier van licht, over ateliers op school: vrij onderzoek en verbeelding als manier van leren
  • Gijs Scholten van Aschat, acteur en lid van de Akademie van Kunsten, over de spelende mens, de ontwikkeling van verbeelding en empathie bij het kind
  • Marieke Peeters, programmaleider Onderwijs en Onderzoek HAN Pabo en projectmanager Wetenschapsknooppunt Radboud Universiteit, over de relatie nieuwsgierigheid en leren.

Inspiratie en bronnen m.b.t. onderwijs en de kunstvakken…