Leraren weten niet wat ze aanmoeten met ‘Onderwijs 2032’ | TROUW

Source: Trouw.nl

Leraren weten niet wat ze aanmoeten met ‘Onderwijs 2032’

Laura van Baars18 november 2016

Voorzitter Paul Schnabel van Platform Onderwijs 2032 overhandigt het eindadvies aan staatssecretaris Sander Dekker Onderwijs, Cultuur en Wetenschap © anp
Onderwijs

Leraren trappen op de rem bij het uitvoeren van het vernieuwingsplan voor het Nederlandse onderwijs, ‘Onderwijs 2032’.

Volgens lerarenbond De Onderwijscoöperatie, die gisteren een rapport aanbood aan staatssecretaris Dekker, vinden ze het plan te veel ‘van boven’ opgelegd. Zij willen graag zelf een hoofdrol spelen bij het ontwikkelen van een nieuw lesprogramma, maar dan moeten ze daar wel meer tijd en ruimte voor krijgen.

De leraren weten nauwelijks wat voorstellen van de adviescommissie Schnabel precies inhouden. Ze blijken wel enthousiast over het meer aandacht geven aan technologische ontwikkelingen, digitale vaardigheden en burgerschapsontwikkeling. Kritisch zijn ze over het ontbreken van vakken voor kunst, bewegen, talen, geschiedenis en aardrijkskunde, en over het groeperen van het onderwijs rondom de kennisdomeinen mens & maatschappij, taal & cultuur en natuur & technologie. Ook vraagt een deel van de leraren zich af voor welk probleem dit advies een oplossing is.

Politiek nu aan zet

Achtergrond van ‘Onderwijs 2032’ is dat de kerndoelen in het basis- en voortgezet onderwijs inmiddels tien jaar oud zijn en gemoderniseerd moeten worden. In 2020 zou er een nieuw curriculum, liefst met doorlopende leerlijnen tussen basis- en middelbaar onderwijs , klaar moeten zijn.

De Tweede Kamer moet gaan vaststellen hoe leraren binnen hun dienstverband ook nog ruimte krijgen voor voortdurende cur­ri­cu­lu­m­ont­wik­ke­ling

De koepels van basisscholen en middelbare scholen zijn willen graag door met ‘Onderwijs 2032’ maar vinden ook dat dit zonder de leraren niet kan, stellen zij in een rapport dat ze eveneens gisteren aan Dekker aanboden. Volgens de Onderwijscoöperatie is ‘de politiek nu aan zet’: “De Tweede Kamer moet gaan vaststellen hoe leraren binnen hun dienstverband ook nog ruimte krijgen voor voortdurende curriculumontwikkeling”. Dekker ziet volgens zijn woordvoerder voldoende grond om verder te praten.

De Onderwijscoöperatie is een samenwerkingsverband van vakbonden Aob, CNV Onderwijs, de Federatie van Onderwijsvakorganisatie en VVO. Enkele weken geleden stapte de kleinste bond Beter Onderwijs Nederland (BON) eruit omdat de Onderwijscoöperatie teveel aan deleiband van het ministerie zou lopen. Het zou draagvlak onder leraren te suggereren dat er in feite niet is. De kritiek van de Onderwijscoöperatie en BON dat leraren onvoldoende kennis hebben van 2032, komt wel overeen.

Source: Trouw.nl

Advertisements

Scholen bevorderen klassieke statusstrijd

Source: fd.nl

Scholen bevorderen klassieke statusstrijd

Kinderen met hoger opgeleide ouders hebben op school betere kansen dan kinderen uit een lager opgeleid milieu. Dat leidt tot standenonderwijs, zeggen experts. De Onderwijsraad pleit voor een ‘fundamentele herbezinning’ van het Nederlands onderwijsstelsel.

Optreden van Kinderen voor Kinderen bij de opening van de Koningsspelen in 2016.
Optreden van Kinderen voor Kinderen bij de opening van de Koningsspelen in 2016.Foto: Hollandse Hoogte / Edwin Janssen

In Den Haag staat elke schooldag een bakfietsfile vanuit het centrum naar andere wijken in de stad met populaire basisscholen. Zoals de oude basisschool van premier Mark Rutte en particuliere scholen in de chique buurt Benoordenhout. Schooldirecteur Annelies van Eijk van de openbare school OBS Benoordenhout omschrijft het imago van de exclusieve scholen in die wijk als volgt: ‘De kinderen heten Jan-Willem en Rosalinde en de gezinnen gaan in de voorjaarsvakantie met de Volvo skiën. Met het kerstdiner komt de nanny filmen, omdat de ouders niet kunnen.’

In het kort

  • Zorgen over segregatie en kansenongelijkheid nemen toe.
  • Bij gelijke prestatie krijgen kinderen uit lagere opgeleide gezinnen lager schooladvies.
  • Brede scholengemeenschappen verdwijnen in de steden.
  • Daardoor wordt het switchen naar een hoger niveau moeilijker.
  • De onderwijsraad wil dat het onderwijsstelsel op de schop gaat

Hoe anders is de situatie in de Schilderswijk en Transvaal, aan de andere kant van de stad. Daar geen bakfietsfile, maar ‘een toename van kinderen die zonder ontbijt naar school komen’, zegt onderwijsbestuurder Jo Willenborg van koepel Haagse Scholen (52 locaties). De meeste kinderen hebben ouders met een lagere opleiding en starten met een achterstand. De inzet van jeugdhulp is groot. ‘We zien veel schrijnende gevallen, want armoe leidt ook tot heel nare dingen thuis.’

Segregatie en kansenongelijkheid zijn van alle tijden. Maar door recente cijfers nemen de zorgen toe. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, maakt het Nederlandse onderwijssysteem de ongelijkheid in kansen voor kinderen groter. Keuzes van beleidsmakers, scholen en ouders doen er nog een schepje bovenop.

Voor de Onderwijsraad is de maat vol. De onafhankelijke adviseur van regering en parlement pleitte in december voor een ‘fundamentele herbezinning’ van het Nederlandse onderwijsstelsel.

Net als in Amerika

Uit cijfers van de Onderwijsinspectie blijkt dat ruim 70% van de kinderen in Den Haag van school zou moeten wisselen om tot een goede afspiegeling van de bevolking te komen. De Hofstad is daarmee de meest gesegregeerde stad van Nederland. In andere grote steden schommelen de percentages tussen de 50% en 70%. ‘De segregatie op basisscholen in steden is even groot als op basisscholen in Amerikaanse steden’, zegt hoogleraar sociologie Herman van de Werfhorst van de UvA.

Basisonderwijs in Nederland is sterk gesegregeerd

Segregatie in het basisonderwijs in grote steden, uitgesplitst naar woonsegregatie enschoolkeuze in 2016.

screenshot 2019-01-07 at 17.48.27

Opvallend is dat de segregatie op basis van etniciteit in Nederland daalt. Daar staat een toename van de segregatie op basis van inkomen en opleiding van ouders tegenover. Met andere woorden: op steeds meer scholen is niet een etnische groep dominant, maar het ouderlijk milieu.

De kloof wordt groter op de middelbare school, zegt Louise Elffers, die bij de universiteit en hogeschool van Amsterdam onderzoek naar dit thema doet. ‘Als kinderen in groep acht gelijk presteren, is het verschil in doorverwijzing afhankelijk van het opleidingsniveau van ouders. Kinderen uit lager opgeleide gezinnen worden bij een gelijk prestatieniveau vaker naar vmbo verwezen en kinderen met hoger opgeleide ouders vaker naar havo en vwo. Daardoor krijg je standenonderwijs.’

Het grootste probleem is de scheiding van kinderen op elf- of twaalfjarige leeftijd op basis van niveau, zegt socioloog Van de Werfhorst. Deze erfenis van de ambachtsscholen eind negentiende eeuw creëert ongelijkheid en een ‘selffulfilling prophecy’. Want op het vmbo krijgen kinderen andere leerkansen dan op het vwo. Daardoor nemen de verschillen in prestaties al op jonge leeftijd toe.

18

18% van de kinderen in het voortgezet onderwijs zit op een locatie waar alle schoolsoorten bij elkaar zijn ondergebracht.

De centrale eindtoets in groep 8, die gelijke kansen moet bevorderen, heeft steeds minder waarde gekregen, constateert Elffers. ‘We weten al jaren dat leraren geneigd zijn om kinderen met verschillende achtergronden ongelijk te adviseren. Door het schooladvies de toelating tot het voortgezet onderwijs te laten bepalen in plaats van de toets, is de kansenongelijkheid toegenomen.’

Switchen wordt moeilijker

Tegelijkertijd maken middelbare scholen het steeds moeilijker om van niveau te wisselen. Brede brugperiodes worden korter en smaller. In grote steden verdwijnen de brede schoolgemeenschappen. ‘Vooral in gebieden met veel concurrentie maken middelbare scholen het voor leerlingen op hogere niveaus zo aantrekkelijk mogelijk om binnen te komen’, zegt Elffers. Denk aan scholen met alleen havo en vwo, tweetalig onderwijs of vwo+.

Ouders op hun beurt doen er alles aan om te voorkomen dat hun kind op het vmbo terechtkomt en kopen allerlei diensten in, zoals huiswerkbegeleiding. Zij associëren het vmbo volgens Elffers met ‘de onderkant’, ook al is dit het gemiddelde prestatieniveau. Dat komt omdat mensen wereldwijd steeds hoger opgeleid raken. ‘Daardoor neemt de concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt toe en voelen mensen druk om zo hoog mogelijk opgeleid te raken.’

Volgens onderwijskundige en bijzonder hoogleraar sociaal-culturele achtergronden Eddie Denessen is er sprake van een ‘klassieke statusstrijd’. Hij vraagt zich af of scholen, beleidsmakers en ouders wel aan gelijke kansen willen werken. ‘Gelijke kansen gaat niet alleen om het wegwerken van achterstanden, maar ook om het verkleinen van de kloof met kinderen van hoger opgeleide ouders. Dat is een heel moeilijk punt voor ouders en beleidsmakers. Scholen zien hoger opgeleide ouders toch vaak als hoofdklant.’

Tijd voor actieHet is tijd voor actie, vinden de drie experts. Denessen pleit voor het afschaffen van het schooladvies van leraren op de basisschool. Van Elffers mag het advies blijven bestaan, maar dan wel op voorwaarde dat het niet de schoolloopbaan bepaalt. ‘Ik begrijp niet dat leraren nog meewerken aan het geven van een schooladvies wanneer dat gebruikt wordt om de schoolloopbaan van kinderen op jonge leeftijd op slot te zetten. Ik zou dat als leraar weigeren.’

Ook de vroege selectie moet op de schop. ‘Hoeveel duidelijker moet het beeld nog worden voordat het ministerie van Onderwijs in actie komt?’, zegt Elffers fel. ‘We moeten het beest in de ogen kijken. Er zijn zoveel oplossingen mogelijk. Laat leerlingen bijvoorbeeld starten op een bepaald niveau en kijk telkens hoe het gaat en of ze een stapje hoger of lager kunnen maken. Op hun vijftiende kunnen ze dan een uitstroomprofiel kiezen.’

Kansenongelijkheid en segregatie in een notendop

1. Segregatie op basis van opleiding en inkomen van ouders neemt toe.

2. Door de verschillende schoolsoorten, niveaus, leerwegen en opleidingen komen kinderen met verschillende sociale achtergronden elkaar steeds minder vaak tegen. Dit heeft gevolgen voor de sociale samenhang.

3. De vroege selectie op elf- of twaalfjarige leeftijd is nadelig voor kinderen uit lagere sociaal-economische milieus en laatbloeiers.

4. Kinderen uit lager opgeleide gezinnen worden bij een gelijk prestatieniveau vaker naar vmbo verwezen en kinderen met hoger opgeleide ouders vaker naar havo en vwo.

5. Er zijn minder brede middelbare scholen. Ook stellen opleidingen in het mbo, hbo en wo aanvullende toelatingseisen. Daardoor is de kans om later door te stromen naar een hoger niveau kleiner.

Bron: Onderwijsraad, ESB

De Onderwijsinspectie zou niet moeten kijken naar het niveau dat leerlingen hebben behaald, maar scholen moeten afrekenen op de investeringen om leerlingen te helpen, vindt Denessen. Middelbare scholen hebben nu belang bij een lager advies voor twijfelgevallen, legt Elffers uit. Zij krijgen bonuspunten als een leerling examen doet op een hoger niveau dan het niveau waarop hij of zij is ingestroomd. Een lager niveau levert juist strafpunten op.

Eisen bij financiering

Gemeenten zouden bij de financiering van nieuwe schoolgebouwen kunnen eisen dat de school alle niveaus aanbiedt, stelt Van de Werfhorst voor. Een gesprek met alle scholen om te voorkomen dat de segregatie toeneemt, is ook al een goede stap, zegt Elffers. ‘De teneur is nog teveel: “Laat scholen maar experimenteren en we zien wel.”’

Dat kansenongelijkheid alleen voor linkse politieke partijen een interessant thema is, wijst onderwijskundige Denessen resoluut van de hand. ‘Geen enkel kind mag afgerekend worden op het opleidingsniveau van zijn of haar ouders. Door de ongelijke kansen in het onderwijs laten we veel talent aan de onderkant onbenut. Je gooit dus eigenlijk economisch kapitaal weg. Daar is niets links aan.’
Source: fd.nl

Hoe mannen in pakken van het mbo een onderwijsfabriek maakten

Source: Vrij Nederland – vn.nl

Hoe mannen in pakken van het mbo een onderwijsfabriek maakten

In de jaren negentig veranderde alles in het mbo: managers, mannen in pakken, deden hun intrede en ROC’s werden onderwijsfabrieken. Terwijl de docenten op een nullijn staan en studenten kansen worden ontnomen, verdienen bestuurders meer dan toegestaan.

Evelien Polter
Fotografie Desiré van den Berg
10 tot 12 minuten leestijd

Begin jaren tachtig begon ik als docent maatschappijleer bij wat toen heette de Streekschool Elandsstraat, een banketbakkersschool in het midden van de Amsterdamse Jordaan. De school bestond uit een paar honderd studenten en twee directeuren. De vakdocenten droegen bakkerskleding en je rook er de hele dag heerlijke banketbakkersgeuren. Het eerste jaar kwam ik tien kilo aan doordat ik er elke dag bonbons en saucijzenbroodjes aangeboden kreeg. Met Sinterklaas kwamen mijn kinderen om snoepgoed van marsepein te maken. De school was ambachtelijk, met een heleboel praktijklokalen om te leren bakken en koken.

Van die gemoedelijkheid en ambachtelijkheid is nu, zo’n kleine veertig jaar later, niet veel meer over. Het middelbaar beroepsonderwijs is massaler en anoniemer geworden. Tot vorige maand werkte ik als beleidsmedewerker in een groot gebouw van het ROC van Amsterdam met 3200 studenten aan de Zuidas. Tijdens mijn loopbaan kreeg ik te maken met vrijwel alle thema’s en problemen die spelen in het mbo. Sinds 1 september ben ik met pensioen.

Begin jaren tachtig droegen de vakdocenten op de bakkersschool nog bakkerskleding. Veertig jaar later is de beroepensfeer vrijwel uit de school verdwenen.

De beroepensfeer is vrijwel uit de school verdwenen. In mijn streekschooltijd kwamen de praktijkdocenten rechtstreeks uit bakkersbedrijven. Er was makkelijk contact tussen de branche en de school. Als je toen op stagebezoek ging, zag je dat er veel uitwisseling was tussen vakdocenten en de mensen die bij de bakkerijen werkten. Docenten gaven bijvoorbeeld tips over nieuwe machines. En de banketbakkers gaven andersom ook weer lestips uit de praktijk aan de docenten.

Euro de Jaeger

In 1995 introduceerde PvdA-minister Jo Ritzen van Onderwijs de ‘Wet educatie en beroepsonderwijs’. Hij hoopte dat deze wet ertoe zou leiden dat minder studenten zonder diploma de school zouden verlaten en dat ze makkelijker zouden doorstromen naar andere opleidingen. Hiervoor moesten alle bestaande mbo’s, opleidingen voor volwasseneneducatie en het vormingswerk voor jongeren fuseren. De kwaliteit van het onderwijs, de examens én de kansen voor studenten zouden hierdoor enorm verbeteren.mbo

Helaas ontwikkelden de Regionale Opleidings Centra (ROC’s) die zo ontstonden zich tot bedrijfsmatig geleide onderwijsfabrieken. Dat kwam onder andere doordat de wet ook voor een andere financiering zorgde: de ROC’s kregen een zak geld, die door het schoolbestuur naar eigen inzicht mocht worden besteed.

Alles werd anders: managers, mannen in pakken, kwamen het mbo binnen. De organisatie is hierdoor drastisch veranderd, en trekt een heel ander soort directeuren aan. Deze managers krijgen hoge salarissen en komen vaak helemaal niet uit het onderwijs. Zo ging Edo de Jaeger in 2003 leidinggeven aan het college van bestuur van het ROC van Amsterdam (ROCvA). Daarvoor had hij banen als compagniecommandant in het leger en adjudant van de koningin. Managers als De Jaeger zien het ROC als een bedrijf en de student als klant. In- en uitstroomcijfers zijn voor hen belangrijk.

Terwijl salarissen van docenten op de nullijn staan, verdient de bestuursvoorzitter zo veel dat het ROCvA er bestuurlijke boetes voor krijgt.

‘Edo de Jaeger verdient meer dan Mark Rutte,’ vertelt Tamar van Gelder, dagelijks bestuurder voor de sector mbo van de onderwijsvakbond AOb. De Jaeger strijkt 237.000 euro per jaar op terwijl hij wettelijk maximaal 195.500 euro zou mogen verdienen, de zogenaamde Balkenendenorm. Door toenmalig minister van Onderwijs Jet Bussemaker is hij herhaaldelijk gevraagd om uit te leggen waarom het zoveel moet zijn. Die uitleg weigert hij.

Het ROCvA heeft daarom een bestuurlijke boete gekregen die de school naast zijn riante salaris betaalt, terwijl de salarissen van docenten al jaren op de nullijn staan. In de wandelgangen wordt hij dan ook Euro de Jaeger genoemd.

Door de bedrijfsmatige benadering wordt pr ook steeds belangrijker. Het ROC moet uitsluitend positief in het nieuws worden gebracht. Tijdens mijn carrière ben ik verschillende keren door Edo de Jaeger op het matje geroepen als ik me in de pers of in het blad van het ROC van Amsterdam kritisch uitliet over het beleid. Telkens wilde hij dat ik mijn opvattingen zou rectificeren, wat ik niet deed. Ik moest beloven dat ik me niet meer kritisch zou uitlaten over het beleid van de school. Tweemaal was ik bang dat ik ontslagen zou worden. Door hulp van de onderwijsvakbond AOb gebeurde dat niet.

Ook andere docenten en personeelsleden hebben dit ervaren. Je ziet het ook aan de publiciteit rond de problemen bij ROC TOP, de school die vijf jaar geleden voortkwam uit scholengroep Amarantis. In de berichtgeving hierover, bijvoorbeeld bij Het Parool, wil niemand met naam genoemd worden.

Een apart gebouw voor de directie

De veranderde wijze van bekostigen van het mbo door het ministerie leidde tot een andere inzet van financiële middelen. Geld was niet meer automatisch bestemd voor verbetering van het onderwijs. In 2002 betrok het college van bestuur met stafdiensten als ict en personeelszaken het ‘bestuursgebouw’ in Amsterdam-Zuidoost. Voor het eerst in de geschiedenis van het beroepsonderwijs werd een apart gebouw voor de directie neergezet.

In grote computerruimtes konden studenten zelfstandig leren. Toen de studenten niet aan hun schoolwerk bleken te gaan, werd alles weer omgebouwd.

Ook is er veel geld besteed aan nieuwe grote scholen langs de metrolijnen. Een mooie kans voor gebouwen waarin goed onderwijs gegeven kan worden, zou je zeggen. De investeringen begonnen echter bij de ict. Er kwamen dure bewakings- en registratieapparatuur en grote computerruimtes waar studenten zelfstandig konden leren. Toen deze aanpak niet succesvol bleek omdat de scholen op militaire vestingen gingen lijken en de studenten niet zelfstandig aan hun schoolwerk bleken te gaan, werd alles weer afgeschaft en omgebouwd.

Mooi intussen, die gebouwen, maar geld voor goed onderhoud en smaakvolle en doeltreffende inrichting is er niet. Dat geld wordt opgepot. In 2017 had het ROC van Amsterdam 16 miljoen euro op de plank liggen.

MBO College Zuid-Oost

Wat dit tot gevolg heeft, vertelt Numan Yilmaz, docent burgerschap van de ict-opleidingen van de school in Amsterdam-Zuidoost. In maart werd hij verkozen tot gemeenteraadslid namens DENK. ‘De school waar ik werk is vijftien jaar geleden opgeleverd. Er waren toen veel open leerruimtes die later provisorisch weer tot aparte lokalen zijn verbouwd. Een drama, want alles is gehorig en klein. Er is nog steeds een grote ruimte waar vier verschillende docenten aan verschillende groepen les moeten geven. De computers, beamers en smartboards doen het regelmatig niet. Stoelen zijn vaak stuk. Vandaag viel er nog een poot van een stoel. Ik viel bijna. Daar zijn er wel vijf van in zo’n lokaal. De wc’s zijn vies. De muren zijn kaal. Iets ophangen mag niet.’

Er is geen aandacht voor de leeromgeving. Die is zo sober mogelijk. Een voorbeeld uit mijn eigen praktijk. In 2012 ging ik werken in een nieuw groot schoolgebouw aan de Amsterdamse Zuidas. Bijna 3200 mbo-studenten van zeer verschillende beroepsopleidingen zoals schoonheidsverzorging, juridische dienstverlening en sport volgen hier hun onderwijs. In de werkruimtes van de stafmedewerkers hangen reproducties van de HEMA.

De directie wil voorkomen dat docenten de indruk krijgen dat er geld wordt besteed aan onnodige zaken. Het gevolg daarvan is dat de skyline van New York de kamers siert. De muren van de lokalen zijn kaal en onpersoonlijk omdat er niets mag worden opgehangen. Een school zou mooi en inspirerend moeten zijn en studenten zouden er kennis moeten kunnen maken met kunst. In ziekenhuizen kan dit wel, maar in mbo’s blijkbaar niet.

Iedereen moet alles doen

De managers gedragen zich als leiders van een bedrijf, maar in feite leiden zij teams waar geen arbeidsdeling is: iedereen moet alles doen. De docenten zijn bevlogen en houden veel van de studenten en hun vak, maar ze worden voortdurend overvraagd omdat ze worden gezien als multi-inzetbare medewerkers met vele taken. Iedereen in het team is verantwoordelijk voor alles: lesgeven, stagebezoek, loopbaangesprekken, examenorganisatie en intake. Het contact met studenten gebeurt via WhatsApp. In het hele gebouw zie je docenten voortdurend bezig met hun telefoon.

Het management zegt dat het lage niveau van de studenten wel toekan met een docent die niet bevoegd is.

Er zijn ook veel docenten die vakken moeten geven waarvoor ze niet zijn opgeleid. Het argument van het management is dat het lage niveau van de studenten wel toekan met een docent die niet bevoegd is voor dat vak. Het gevolg is dat de kwaliteit van het onderwijs daalt, de professionaliteit van de docent wordt aangetast en zowel de onbevoegde leraar als zijn bevoegde collega te maken krijgt met taakverzwaring.

Er is weinig aandacht voor het belang van goed lesgeven en voor wat goed lesgeven ís. Docenten moeten veel uren voor de klas staan, maar ook hun lessen voorbereiden en nakijken. Daar is geen tijd voor ingeruimd en het wordt door de managers ook niet belangrijk gevonden. Ik hoorde regelmatig opmerkingen als: ‘Dat voorbereiden van de lessen hoef je toch na je eerste jaar niet meer te doen?’

‘Het werk kost veel meer uren dan waarvoor ik betaald word,’ zegt Christa Beckers, docent Duits aan de opleiding voor machinist railvervoer. ‘Er is geen kant-en-klaar lesboek voor Duits aan machinisten. Ik wil ervoor zorgen dat studenten gemotiveerd raken en blijven. Dat betekent veel organiseren, mensen van de Bundesbahn uitnodigen, een reisje naar Duitsland plannen, veel materiaal van internet halen.’

Bovendien zijn er grote niveauverschillen in de klassen van soms meer dan 25 studenten, legt Beckers uit. ‘Van het laagste vmbo- tot havoniveau. Ik ben betrokken bij de ontwikkeling van de examens en neem ze af. De werkdruk is ongeveer een dag per week voor 2 x 1,5 uur lesgeven, maar ik krijg betaald voor vier uur werk.’

‘Lesgeven op het mbo is moeilijker dan op mavo, havo en vwo. In het mbo moet je alles zelf ontwikkelen en uitzoeken.’

Als de schoolleiding goed zou kijken wat er van de studenten wordt gevraagd, wat ze allemaal moeten kunnen en hoeveel tijd Beckers heeft om ze op het gewenste niveau te krijgen, zouden ze zien dat dit eigenlijk helemaal niet kan in de tijd die ze ervoor uitbetaald krijgt. Beckers geeft ook les in het voortgezet onderwijs. ‘Ik vind het lesgeven op het mbo moeilijker dan op de mavo, de havo en het vwo,’ zegt ze. ‘Daar zijn heldere eindtermen, een duidelijke structuur, aandacht voor vakdidactiek en er zijn bestaande lesmethodes. In het mbo moet je, zeker als talendocent, alles zelf ontwikkelen en uitzoeken.’

Opvoedcursus

Sinds 2006 is het vak burgerschapsvorming een verplicht onderdeel in het onderwijs. In het mbo zie je de gevolgen van de bedrijfsmatige aanpak ook hierbij heel duidelijk.

Burgerschap is belangrijk op het mbo, want mbo-studenten krijgen geen geschiedenis en maatschappijleer, zoals havo- en vwo-leerlingen. Na hun twaalfde kijken ze ook niet meer automatisch naar het Jeugdjournaal, zoals op de basisschool, en vast ook niet naar het Achtuurjournaal. Het is daarom belangrijk om aandacht te besteden aan actuele en maatschappelijke onderwerpen door er in de les over te praten en de dilemma’s te bespreken waar politici, burgers en bestuurders voor staan. Dat gebeurt in het vak burgerschap.

Schoolleiders in het mbo hebben vaak de neiging om het vak te zien als een gedrags- of opvoedcursus. Dan gaat het over petten af in de klas, op tijd komen en taalgebruik. Maar docenten willen graag weten hoe ze over maatschappelijke dilemma’s moeten praten met studenten. Ze willen graag bevoegde docenten die dit vak geven.

Voor leesclubs en debatten voor leerlingen (die bij uitstek bij het vak burgerschap horen) is vanuit de schoolleiding al helemaal geen belangstelling. Dit soort zaken drijft op welwillendheid en bevlogenheid van individuele docenten.

Voor de vorm

De huidige minister van Onderwijs Arie Slob (ChristenUnie) wil strengere eisen voor het burgerschapsonderwijs. Daarom is er een ‘burgerschapsagenda’ voor het mbo ontworpen. Een vage en algemene agenda. De presentatie van die agenda in februari 2018 was tekenend voor het dedain van politiek en schoolbestuur voor leerlingen en docenten in het mbo. Bij die bijeenkomst in het ROC Mondriaan in Den Haag had men het over studenten die ‘kritisch moeten leren denken’ en over ‘migratierugzakjes’. Men sprak in termen van ‘beleidsinformatie’ en ‘beslissingsproces’.

De ondertekenaars van de ‘burgerschapsagenda’ wisten blijkbaar wat goed is voor mbo-jongeren, maar waren vergeten ze erbij te betrekken en naar ze te luisteren.

Voor de vorm had men twee klassen met mbo-studenten uitgenodigd. Zij moesten aanwezig zijn in het kader van hun les burgerschap. Van het taalgebruik van de politieke prominenten begrepen ze niets. Docenten waren helemaal niet uitgenodigd. De ondertekenaars van de ‘burgerschapsagenda’ wisten blijkbaar wat goed is voor mbo-jongeren, maar waren vergeten ze erbij te betrekken en naar ze te luisteren.

In de wet die Slob voorstaat, komt te staan dat de school een plek moet zijn ‘waar studenten het goede voorbeeld horen te krijgen’. De docenten en studenten van het ROC van Amsterdam werken in een school die bestuurd wordt door mensen die riante salarissen innen en niet malen om de boetes die ze daarvoor krijgen. Welk voorbeeld geeft dit college van bestuur zelf af?

Omroepberichten

Het mbo is door de grootschaligheid en de bedrijfsmatige aanpak grondig veranderd. Maar het blijft prachtig onderwijs. De buitenwereld is er, anders dan in het voortgezet onderwijs, altijd aanwezig. ‘Het is heel concreet,’ zegt docent Duits Christa Beckers. ‘Het Duits is direct het Duits waar het over gaat. Bij treinmachinisten bijvoorbeeld in de vorm van informatie geven aan reizigers, omroepberichten, veiligheidscommunicatie. Dan loopt de les gesmeerd. Het doel is duidelijk, de studenten zijn actief en dat geeft veel voldoening.’

Van docenten hoor je ook vaak dat de focus op het beroep studenten optimistisch en doelgericht maakt. Als docent in het mbo kom je in aanraking met een wereld die interessanter en leuker is dan je ooit had gedacht. Die wereld is belangrijk omdat er zo veel studenten deel van uitmaken. Hoe langer je er werkt, hoe meer je ervan overtuigd raakt dat er veel meer aandacht voor moet zijn.

Niet op de managementmanier – zo veel mogelijk studenten in zo kort mogelijke tijd door de opleiding heen jagen. Maar op de onderwijsmanier: zo veel mogelijk aandacht voor de taak van docenten, de leeromgeving en de vakinhoud.

Dit artikel kwam tot stand met medewerking van Annelies Kappers, oud-docent ROC van Amsterdam.

Source: Vrij Nederland – vn.nl

Technische universiteiten sluiten opleidingen als de overheid niet bijspringt

Delft en Eindhoven kondigen nieuwe studentenstops aan, Delft overweegt zelfs opleidingen te sluiten.

Source: fd.nl

Managementhypes en jeukjargon

Bron: nrc.nl

We zijn gek geworden op kantoor

Japke-d. vraagt door: Negen maanden lang onderzocht Japke-d. Bouma het nut van managementhypes en jeukjargon. Wat heeft ze daarvan geleerd?

Japke-d. Bouma – 26 juni 2018

Illustratie Tomas Schats

‘Agile’ werken is gewoon je boerenverstand gebruiken en ‘professionals’ zijn vakmensen. Verder is een organisatie ‘kantelen’ niets meer dan behoedzaam veranderen als dat nodig is, is ‘sturing geven’ hetzelfde als ‘de regie pakken’ en betekent ‘in je kracht staan’ dat je iets vrijwillig doet – niet omdat anderen dat van je verlangen.

Pfjiew.

Ik heb een hoop geleerd jongens, de afgelopen negen maanden, toen ik elke week voor jullie kantoorhypes en managementjargon mocht onderzoeken. Ik sprak met ceo’s, ‘chief engagement officers’ en succesgoeroes, om antwoorden te vinden op vragen die ik al zo lang over werken op kantoor had. En ik kreeg behoorlijk wat antwoorden.

Bijvoorbeeld waarom we met z’n allen in open kantoortuinen zitten en gek worden van het lawaai van onze collega’s. Dat is omdat architecten tegenwoordig nu eenmaal dol zijn op ‘geile kantoren’ – grote open ruimtes die meer op legbatterijen lijken. Dat die hobby ervoor zorgt dat we met z’n allen een burn-out krijgen, is van ondergeschikt belang.

Hoe word je gelukkig op je werk? Dat weet ik nu ook. Niet door het aanstellen van ‘chief happiness officers’ en ‘fun agents’, zoals zoveel bedrijven tegenwoordig doen. Wél door slechte managers te ontslaan, niet meer te beginnen aan onnodige reorganisaties en door te stoppen met overbodige procedures en de flexplek.

Ik leerde ook dat ‘governance’ gewoon ‘bestuur’ betekent, dat een ‘ultieme koffiebeleving’ een lekker bakkie pleur is, dat als mensen het over een ‘nieuwe organisatiestructuur’ hebben, ze eigenlijk een ‘extra bestuurslaag’ bedoelen en dat de functietitel ‘secretaresse’ hopeloos verouderd is, denigrerend zelfs. Je kan beter zeggen dat je ‘assistant’ bent – in het Engels uitgesproken, uiteraard. Dat klinkt ook veel beter in de kroeg, als anderen zich voorstellen als ‘content marketeer’, ‘storyteller’ en ‘scrum master’.

Over dat Engels gesproken, ik leerde ook wat ‘chapter leads’, ‘backlogs’, ‘tribes’ en ‘squads’ zijn. Dat zijn respectievelijk teamleiders, plannen, groepjes en samenwerkende afdelingen. Organisaties gebruiken die termen om hippe types aan te trekken en saaie, uitgebluste 40-plussers het bedrijf uit te jagen. Het gaat erom, zo vertelde een ‘manager marketing performance & expertise’ van Aegon me, om mensen te vinden die „zichzelf elke dag willen verbeteren” en die schijnen nu eenmaal zo te praten.

Ik moet er niet aan denken dat ik mezelf elke dag moest verbeteren. Dan ben ik na 730 dagen volgens mij een soort Hulkachtige Superman met bovennatuurlijke krachten. Maar goed, ik ben dan ook geen ‘continuous improvement specialist’ – geloof me, die functietitel bestaat echt, en ja, we zijn gek geworden met z’n allen.

Japke-d. Bouma ontmoette iemand die nóg feller tegen jargon is dan zijzelf: Dit is de top-10 van jeukwoorden in de ‘recruitment’

Want het jargon wordt steeds krankzinniger, vooral de functietitels. Zo kreeg ik dit seizoen meldingen binnen van ‘technische klantgelukkers’, ‘sourcing ninja’s’, ‘visual merchandisers’, ‘vibe managers’, ‘flexibele aanpakkers met procestalent’ (ik denk dat ze talent voor stoelgang of bureaucratie bedoelen) of, zoals de Luchtmacht dit seizoen zocht: ‘een enabler en sensemaker’. Ik noemde mezelf op LinkedIn ooit voor de lol ‘goeroe, rockstar en kantooramazone’, maar geloof me, dat valt echt niemand meer op.

Wat ik ook jammer vond, dit seizoen, is dat ik nu nog steeds niet weet hoe ‘omdenken’ werkt. Omdenkgoeroe Berthold Gunster wilde namelijk niet met me praten. „Zijn prioriteiten liggen momenteel elders”, liet zijn assistent me via de mail weten. Het gesprek uit de weg gaan, dát is pas omdenken. Maar wie weet komt dat komend seizoen goed.

Waren er ook lichtpuntjes? Jazeker. Zo signaleerde reclamebureau Ogilvy de terugkeer van „een behoefte aan eenvoud en simpelheid”, na alle gekte van de newspeak. Ook blijkt iedereen weleens stress te hebben en bang te zijn dat hij te dom is voor zijn werk, terwijl ik dacht dat ik de enige was; verzekerde een rechter me dat je alles, zelfs de meest ingewikkelde zaken, in helder Nederlands kunt uitleggen; betekent ‘durf te falen’ niet dat je fouten moet maken, maar dat je moet ontspannen op je werk en blijkt een kikker in een langzaam opwarmende pan er wel degelijk uit te springen als het water te warm wordt.

Kikkers laten zich dus helemaal niet „overvallen door verandering”, zoals zoveel managementgoeroes de metafoor gebruiken. Kikkers passen hun gedrag netjes op het juiste moment aan. Inderdaad, lieve transitiemanagers en ‘agile coaches’, net zoals wij op kantoor. Daar hebben wij jullie niet bij nodig.

Rest mij nog jullie de komende tijd veel sterkte te wensen met jullie transitiemanagers en transformatie-ambities. Ik ‘parkeer’ deze rubriek namelijk even, ik ‘til hem over de zomer heen’. Ik heb nog wel een conclusie en daarvoor zou ik een nieuwjaarsspeech-cliché willen citeren dat luidt: ‘We stonden aan de rand van de afgrond maar sindsdien hebben we een grote stap voorwaarts gezet’. Treffender kan ik het niet verwoorden.

Tot in september!

Deze rubriek kwam voor een belangrijk deel tot stand met de hulp van honderden reacties die lezers me stuurden via Twitter, LinkedIn en mail – heel erg bedankt daarvoor!

Top 3 van het ergste jeukjargon

NS International over de nieuwe ‘agile’ werkwijze met daarin onder meer de ‘pirate funnel’, ‘multidiscplinaire growth teams’ en de zin: „Op basis van de fases awareness, acquisitie, activatie, revenue, retentie en referral zijn we teams gaan inrichten.” Ik denk dat ik zelf nog even in de activatie-fase moet komen.

Adviesbureau Berenschot over de ‘Evaluatie programma Digitaal 2017’ met daarin de briljante zin: „Het instrumentarium is op basis van voortschrijdend inzicht aangepast en er is een coherente aanpak ontwikkeld.” Dat betekent: het werkte eerst voor geen meter, en toen hebben we er maar het beste van gemaakt.

Schiphol, zoekt een ‘vibe manager’. Wat die doet? Nou, onder meer: „Het continu warm houden van digital professionals door middel van het organiseren van netwerkbijeenkomsten en community building.” Ik zou dekens meenemen.

De leukste tweets van het seizoen

#BORED AF

Bron: Youngworks.nl

#BORED AF

 

Source: #BORED AF – Youngworks

#BORED AF

En de vlucht in beeldschermen
Rutger van den Berg 30 maart 2018

Wanneer je online zoekt op ‘jongeren en verveling’ krijg je bijna 200.000 hits op Google. Bij het woord verveling hebben we al snel de associatie met een onderuitgezakte puber die lusteloos vanaf de bank naar de tv of het raam staart. Maar deze vorm van ‘vrijetijds-verveling’ lijkt steeds zeldzamer. De jongeren in ons Youngworks-trendteam vragen zich zelfs af wat de laatste keer was dat ze zich echt verveelden in hun vrije tijd. Wat zegt dit over de leefwereld van jongeren?

Verveling is volgens de Van Dale een “onaangenaam gevoel van leegte zodat de tijd lang lijkt”. De onderzoeker Adam Phillips is van mening dat (de perceptie van) een overdaad aan tijd een voorwaarde is om je echt te kunnen vervelen in je vrije tijd. Jongeren (10 – 19 jaar) hebben per week 47 uur aan vrije tijd (dus buiten school, werk, sport, eten en slapen). Dat is gemiddeld bijna zeven uur per dag. Voldoende tijd om je te vervelen zou je denken… Toch ervaren jongeren dit anders: vrije tijd is geen synoniem voor niksen.

Volgens het Tijdsbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) hebben Nederlanders altijd het gevoel dat ze het druk hebben, ook wanneer het in de praktijk wel meevalt. Ook onder jongeren herkennen we dit. De combinatie van online en offline mogelijkheden biedt altijd en overal iets te doen én creëert vaak het gevoel van een voortdurende (sociale) verplichting. Een momentje niks doen ervaren jongeren daarom snel als waardeloos, als verspilde tijd: “Er moet en kan nog zoveel gedaan worden! Huiswerk, ander werk, maar ook die nieuwe serie kijken waar iedereen het over heeft… whatever. Ik kan mijn tijd nu niet lopen verdoen.” Verveling is voor hen vooral een harde confrontatie met het feit dat ze niets doen en geeft een gevoel van waardeloosheid. Die confrontatie willen jongeren vaak uit de weg gaan of zo snel mogelijk verdrijven. Engels onderzoek, uitgevoerd door het onderzoeksbureau Platypus, laat zien dat het constante aanbod van nieuwe series en filmpjes op Netflix en YouTube-kanalen voor veel jongeren de meest voor de hand liggende manier is om verveling te verjagen. Deze onuitputtelijke entertainmentkanalen bieden altijd en overal voldoende prikkels of impulsen om het onaangename gevoel snel te verdrijven, met als gevolg dat jongeren in hun vrije tijd – zoals ze zelf aangeven – inderdaad niet vaak ‘diepe’ verveling ervaren. Terwijl ze alsnog hun tijd niet al te nuttig besteden…

Behoefte aan verveling?
Haaks op het wegdrukken van verveling zien we tegelijkertijd ook een andere behoefte: tijdens momenten van (daadwerkelijke) drukte kijken sommige jongeren ernaar uit om niks te doen. Dan lijkt ‘verveling’ voor hen opeens een moment van ultieme ontspanning. In een soort antireactie op voortdurende drukte zeggen sommige jongeren juist te verlangen naar een gevoel van verveling, naar de luxe van nutteloosheid. Ook voor hen biedt internet een uitkomst: zij zeggen daar te vluchten in ‘gefaciliteerde verveling’. Ze sluiten zich bijvoorbeeld af van de wereld om eindeloos te scrollen op sites als StumbleUpon of ze tekenen uit het niets, zonder doel urenlang een Doodle. Hier schuurt echter iets, want kunnen we deze activiteiten wel als ‘verveling’ kenmerken? Het zijn weinig prikkelende bezigheden, maar het zijn nog steeds ‘bezigheden’ die jongeren afleiden van hun daadwerkelijke gevoel (van verveling óf van drukte). Jongeren die zeggen te verlangen naar verveling, zoeken vooral naar ademruimte binnen hun volle agenda’s. Dit vinden ze in afgebakende afleidingsvrije activiteiten die gericht zijn op tijdverdrijf. Hoewel ze zich naar eigen zeggen willen ‘vervelen’, zoeken ze dus niet echt naar het onaangename, confronterende gevoel van verveling.

De noodzaak van verveling
De psycholoog John Eastwood is kritisch over het vluchtgedrag dat jongeren (en veel volwassenen) vertonen. Hij zegt dat we passieve ontvangers zijn geworden van stimulansen. Wanneer we ons vervelen (en dus zelfs wanneer we op zoek gaan naar verveling) vluchten we steeds meer in onze beeldschermen (tv, tablet, smartphones). Maar: “Verveling is net drijfzand, hoe meer we ons er tegen verzetten, hoe sneller we er in zinken”. Directe verdrijving van verveling beperkt namelijk de constructieve kracht van het vervelen. In een verveelde mindset zijn mensen sterker in staat tot associatief denken. Hoofdzakelijk omdat iemand die zich verveelt extra open staat voor nieuwe ervaringen en impulsen. Verveling zet aan tot creativiteit, want onbewust wil je jezelf bezighouden. Op het moment dat we een gevoel van verveling ervaren gaat ons brein op zoek naar manieren om dit lusteloze gevoel te doden. Juist op deze momenten worden nieuwe ideeën geboren. Daarnaast geeft verveling je de tijd om de wereld opnieuw te ontdekken. In de alledaagse drukte sta je niet stil bij de kleine dingen die in de wereld gebeuren. Maar wanneer de verveling toeslaat sta je plotseling gefascineerd te staren naar een spin die een web spint. Opeens is dat verveelde gevoel omgevormd tot een moment waarop je iets nieuws ontdekt.

Het huidige online en offline entertainmentaanbod biedt jongeren de mogelijkheid om het onaangename gevoel van verveling binnen enkele secondes te verdrijven, Prettig, maar op de lange termijn is het effect van dit laagdrempelige escapisme mogelijk minder positief. Wanneer jongeren het gevoel van verveling niet langer toelaten, komen zij niet op het constructieve punt waarbij hun creativiteit in gang wordt gezet. Gechargeerd kunnen we stellen dat de voortdurende (digitale) afleiding het creatieve potentieel van jongeren kan inperken. Maar…. hier bewijst school, vanuit een enigszins onverwachte hoek, haar enorme waarde. Onderwijs vindt in Nederland plaats binnen een relatief afleidingsvrije omgeving en is volgens diverse onderzoeken ook de bron van de meest intense en minst prettige vormen van verveling. Hoewel verveling uiteraard niet het hoofddoel is van onderwijs, waarborgt dit in een wereld vol afleiding wel het stimuleren van creativiteit bij de volgende generatie. Moeten we als docent de lusteloos uit het raam starende leerling ondertussen met andere ogen bekijken? En moeten we als ouder opgelucht ademhalen wanneer ons kind vraagt “Mam, Wat zal ik doen? Ik verveel me.”?

Bronnen:

Adaptieve leersystemen, tijd voor een doorbraak! – Inspire

Je kunt niet meer van leerlingen en studenten verlangen dat ze zich aanpassen aan de lesstof. De lesstof moet zich aanpassen aan hen.

Bron: Inspire.nl

Adaptieve leersystemen, tijd voor een doorbraak!

Als we leren, lijkt het vaak of we nog in de twintigste eeuw leven. Onderwijzen en opleiden is in de meeste gevallen nog massaproductie, niet aangepast aan de persoonlijke behoeftes, leerdoelen en manier van leren.

In de 21e eeuw is zo ongeveer alles wat we doen veranderd onder de invloed van technologie. Kopen, bestellen, navigeren, bankieren, communiceren… Niets gaat meer hetzelfde. Slimme apparaten en software maken ons dagelijks leven niet alleen efficiënter, maar vaak ook leuker. Maar als we leren, lijkt het vaak of we nog in de 20e eeuw leven.

Onderwijzen en opleiden is in de meeste gevallen massaproductie, niet aangepast aan de persoonlijke behoeftes, leerdoelen en manier van leren. Met een vaste toets aan het einde, in plaats van tussentijdse toetsmomenten die gebruikt worden om het leerproces te optimaliseren. Het is tijd dat producenten van educatief materiaal gaan beseffen dat het anders kan en anders moet. Dat je niet meer van leerlingen en studenten kunt verlangen dat ze zich aanpassen aan de lesstof, maar dat die lesstof zich moet aanpassen aan hen.

“Het is tijd dat producenten van educatief materiaal gaan beseffen dat het anders kan en anders moet.”

De gevestigde orde kijkt toe

Het is spijtig om te zien dat anno 2016 slechts een handvol partijen de educatieve mogelijkheden van moderne technologie volledig omarmt. Initiatieven van bijvoorbeeld TopiaTeam, Blink Educatie en Oefenweb laten overtuigend zien dat educatieve apps leren efficiënter, effectiever en leuker maken. Zij introduceren succesvol toepassingen die leren rekenen, spellen of typen niet alleen superleuk maken, maar die bovendien lesstof en leerproces slim afstemmen op iedere individuele leerling.

Opvallend is dat het vaak de nieuwkomers zijn die de grootste stappen op dit gebied zetten, net als in veel andere markten. Nieuwe bedrijven waarvoor ‘digitaal’ geen keuze is, maar de norm. En waar alles draait om slimme technologie, interactieve content en data. Terwijl de gevestigde orde toekijkt hoe ze met grote vaart ingehaald wordt…

“Opvallend is dat het vaak de nieuwkomers zijn die de grootste stappen op dit gebied zetten.”

Zelf vorm geven aan je leerproces

De mogelijkheden om met behulp van computertechnologie educatie op maat aan te bieden zijn enorm. Adaptieve leersystemen passen de lesstof en de presentatie van die lesstof aan op de leerbehoefte van de leerling, gebaseerd op persoonlijke voorkeuren en gedragingen in het systeem. Dat resulteert in een betere en effectievere leerervaring. De leerling is niet meer een passieve ontvanger van informatie, maar geeft zelf actief vorm aan het eigen leerproces. Adaptief leren is geschikt voor scholen, maar ook voor opleidingsinstituten en zakelijke trainingen en cursussen. De toevoeging van adaptieve e-learning software aan het onderwijs is een volgende stap in blended learning, waarbij fysiek en digitaal onderwijs elkaar aanvullen en versterken.

Leren op maat door learning analytics

Wat een adaptief leersysteem toevoegt aan de educatie? Een heleboel! Doordat iedere activiteit van een leerling in het systeem wordt vastgelegd, ontstaat een grote hoeveelheid data waar inzichten over het leerproces van die persoon in verborgen liggen. Met learning analytics kan naar trends en verbanden in de data gezocht worden die voor het blote oog onzichtbaar zijn.

Inzichten die het leersysteem direct weer kan gebruiken om het niveau van vragen aan te passen of bepaalde onderdelen te benadrukken. Of om de vorm van de vragen (bijvoorbeeld grafisch of tekstueel) aan te passen aan de leerstijl van de leerling. Het systeem zit daarmee steeds precies op de grens van wat een leerling aankan (‘zone van naaste ontwikkeling’), zodat die genoeg vragen goed kan beantwoorden maar wel voldoende uitgedaagd blijft (positive reinforcement).

“Educatieve apps maken leren efficiënter, effectiever en leuker.”

Machine learning

Je kunt nog een stap verder gaan door patronen te zoeken in de gegevens van grote groepen personen over het leergedrag en de effectiviteit van het leerproces. Met behulp van machine learning leert het systeem van experts om oorzaken en verbanden te ontdekken in het leerproces, om die kennis vervolgens toe te passen op enorme hoeveelheden data. Met deze technologie kan het systeem bijvoorbeeld de opbouw en volgorde van vragen per leerling optimaliseren. Misschien niet zo bijzonder als je kinderen topografie wil leren, maar denk eens aan het leren van een taal. Daarbij is het leerproces zo ‘fuzzy’ dat machine learning een enorme verbetering kan betekenen. Met behulp van machine learning zijn al geweldige resultaten bereikt in bijvoorbeeld de gezondheidszorg, met het stellen van diagnoses op basis van informatie uit patiëntendossiers.

Niet het goede klimaat?

Hoe komt het dat onderwijs en educatie zo achterlopen in het toepassen van technologie ten opzichte van andere branches? Daar zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen. Het onderwijs is sterk gedecentraliseerd. Er zijn heel veel scholen en nog veel meer docenten. Het ontwikkelen van adaptieve leersystemen vergt flinke investeringen die niet door een enkeling gedragen kunnen worden. Zelfs voor hele grote onderwijsorganisaties zijn projecten op dit gebied vaak te kostbaar en complex.

Het volwassenheidsniveau van de IT kennis en infrastructuur van veel onderwijsinstellingen is bovendien laag, waardoor implementatie en adoptie van nieuwe leersystemen vaak moeizaam verlopen. Zo’n verandering vraagt ook om een cultuur en manier van denken die je niet overal aantreft bij educatieve uitgeverijen en producenten van onderwijsmateriaal. Al met al dus niet een klimaat voor snelle technologische innovaties.

“Het ontwikkelen van adaptieve leersystemen vergt flinke investeringen die niet door een enkeling gedragen kunnen worden.”

Traditionele manier van werken

De manier waarop onderwijsmethoden ontwikkeld en aangeboden worden, draagt ook niet bij aan snelle vernieuwing. Waar in veel branches producten en diensten inmiddels as a service (in abonnementsvorm) worden aangeboden, is het gros van de lesmethodes nog steeds gebaseerd op kopen en over vele jaren afschrijven. Een model dat het onmogelijk maakt om voortdurend, in kleine stappen, verbeteringen en vernieuwingen toe te voegen. Een manier van werken die in de wereld van software ontwikkeling allang heeft afgedaan.

Leerzame experimenten in co-creatie

Excuses genoeg om adaptief leren te blijven zien als een mooie toekomstdroom. Maar het wordt tijd om nu echt in actie te komen. Anders leven we straks in een wereld waar leerlingen thuis voor alles een slimme app hebben en op school nog steeds op de oude manier les krijgen. Dat is toch ondenkbaar? Dus geen excuses meer, maar aan de slag met het ontwikkelen van adaptieve educatieve software. In co-creatie tussen onderwijsinstellingen, docenten, leerlingen/studenten, producenten van onderwijsmateriaal en – niet te vergeten – experts in software ontwikkeling, big data en analytics.

Niet met een big-bang, maar via leerzame experimenten waarbij kleine onderdelen van een lesmethode worden gedigitaliseerd en gepersonaliseerd. In nauwe afstemming met docenten. Welke onderdelen kun je goed automatiseren en welke zijn daar minder geschikt voor? En welke inzichten wil je als docent uit het leersysteem kunnen halen?

“Geen excuses meer, maar via leerzame experimenten aan de slag met het ontwikkelen van adaptieve educatieve software!”

Zoek de blue ocean

Ga je aan de slag met de digitale innovatie van je lesmethodes? Volg dan het voorbeeld van andere organisaties en plaats die ontwikkeling aan de randen van je organisatie of zelfs erbuiten. Succesvol innoveren doe je het beste in een ‘blue ocean’. Zorg bovendien dat je initiatieven specifiek genoeg zijn. De benodigde adaptiviteit voor leren rekenen op de basisschool is anders dan voor natuurkunde op het VWO. En voor bijvoorbeeld de bijscholing van ziekenhuisverplegers stel je weer hele andere eisen. Probeer dus niet één generieke oplossing voor álles te maken, maar definieer heel precies de eisen en wensen voor jouw specifieke doelgroep. Zo krijgt iedereen precies het onderwijs dat hij verdient!

‘We onderschatten wat de leraar kan’

Bron: trouw.nl

‘We onderschatten wat de leraar kan’

Petra Vissers – 28 februari 2018

© TRBEELD

We verwachten steeds iets nieuws van het onderwijs, maar zonder dat de oude verwachtingen verdwijnen, schrijft emeritus hoogleraar Piet de Rooy in zijn nieuwe boek. ‘Dat een kind zich prettig moet voelen op school, is een tamelijk recente gedachte.’

Continue reading ‘We onderschatten wat de leraar kan’

Conflicten tussen teamleden oplossen

Bron: transitiemanagement.wordpress.com

Conflicten op de werkvloer

Door Mary ter Steege – 23/06/2013

Organized Business Group

Hoewel het soms wel zo lijkt, ontstaan ruzies of conflicten niet van het één op het andere moment. Inzicht in de ontwikkeling van conflicten helpt om escalatie te voorkomen. Ik vertel u daarom graag meer over de Escalatieladder van Friedrich Glasl. Wanneer ik word benaderd voor conflictbemiddeling of wanneer ik in teams merk dat er sprake is van onderliggende conflicten, pak ik dit model erbij. Door aan de hand van dit model uit te leggen hoe conflicten zich ontwikkelen, ontstaat begrip voor het gedrag van de ander en hierdoor is het mogelijk beweging in de situatie te krijgen. Om het conflict op te lossen is uiteraard wel de medewerking van beide partijen noodzakelijk en bij ernstige conflicten kan zelfs de tussenkomst van een derde partij nodig zijn.

Continue reading Conflicten tussen teamleden oplossen

Inspiratie en bronnen m.b.t. onderwijs en de kunstvakken…