The Flipped Classroom Today

Source @ LinkedIn

How the Flipped Classroom Works For Today's Educators

How the Flipped Classroom Works For Today’s Educators

Feb 18, 2015 – Derek Spanfelner

Classrooms of the Future

If asked to envision the classroom of the future, most would see a proliferation of technological advancements from within the classroom walls. Newer, shinier outlets for teachers to dispense information, tablets in every students’ hands, and more tools to communicate student learning. But what if the greatest pedagogical advancement of the future took the teacher from the front of the classroom and put them among their students as they practice and collaborate for the whole class period? What if the teacher was moved from behind the podium to a laptop screen in each child’s home? And what if such a movement was happening right now?
Keep Reading!

Advertisements

Hoe ‘transparantie’ het antwoord op alles werd

Bron – De Correspondent.

4 oktober 2013

Transparantie is het modewoord van deze tijd. Van overheden tot multinationals tot klokkenluiders: iedereen wil er meer van. Hoe is het aan die onbetwiste status gekomen, en hoe terecht is dat eigenlijk?

Hoe ‘transparantie’ het antwoord op alles werd

Correspondent Technologie, Cultuur & Clichés

Lynn Berger
Transparantie onder water. Foto: Getty Images

Transparantie onder water. Foto: Getty Images

Transparant is het nieuwe zwart. Of beter: transparant is het nieuwe authentiek, het nieuwe integer, en het nieuwe objectief. Transparantie is een onbetwistbaar goed, geliefd bij iedereen – van de Obama-regering tot enemies of state als Bradley Manning, Julian Assange, en Edward Snowden. Multinationals claimen het, Nederlandse rechters willen er meer van, Bulgaren demonstreren ervoor, en Nederlandse politici hebben er de mond van vol. ‘Transparantie’, zei Volkskrant.nl: We moeten weten welk bedrijf wat doet Eurocommissaris voor Interne Markt Michel Barnier eerder dit jaar tegen de Volkskrant, is ‘een voorloper van verantwoordelijkheid.’ Volgens de man die Europa’s financiële markten in de gaten moet houden leidt transparantie ‘tot moraal.’

Transparantie is hard op weg hét toverwoord van de vroege eenentwintigste eeuw te worden. Het geldt als wondermiddel tegen corruptie, misleiding en inefficiëntie – want wie gezien wordt gedraagt zich netjes, zo is het idee – en is daarmee volgens velen het beste recept voor legitimiteit en vertrouwen. Zoals organisatiedeskundige Erna Scholtes in haar vorig jaar verschenen proefschrift liet zien Erna Scholtes: Transparantie, icoon van een dolende overheid , is het gebruik van de termen ‘transparant’ en ‘transparantie’ in Nederlandse dagbladen en Tweede Kamerstukken sinds 1995 sterk toegenomen. Waar komt die plotselinge sleutelwoordstatus van het begrip eigenlijk vandaan? En wat zien we, in de onvoorwaardelijke bejubeling ervan, over het hoofd?

 

Frequentie 'transparant' in Tweede Kamerstukken tussen 1995 en 2009. Bron: Erna Scholtes, Transparantie, icoon van een dolende overheid, Boom Lemma 2012, p.6
Frequentie ‘transparant*’ in Tweede Kamerstukken tussen 1995 en 2009. Bron: Erna Scholtes, Transparantie, icoon van een dolende overheid, Boom Lemma 2012, p.6

 

Frequentie 'transparant' in landelijke dagbladen tussen 1995 en 2010. Bron: Erna Scholtes, Transparantie, icoon van een dolende overheid, Boom Lemma 2012, p.5
Frequentie ‘transparant&’ in landelijke dagbladen tussen 1995 en 2010. Bron: Erna Scholtes, Transparantie, icoon van een dolende overheid, Boom Lemma 2012, p.5

Mode, kunst en raambedekking

De oorsprong van het woord transparantie ligt in het Latijn: “transparere” betekent “doorschijnen”, en door iets dat doorschijnt – dat licht doorlaat – kan je heen kijken. Aanvankelijk werd het woord vooral gebruikt om de lichtdoorlatende eigenschap van materialen mee aan te duiden: glas is een transparant materiaal, textiel soms ook – handig om vitrages van te maken, of lingerie. Wie op speurtocht gaat in de historische krantendatabank van de Koninklijke Bibliotheek, komt het begrip in die betekenis vanaf het eind van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw tegen. Een aankondiging, uit 1864 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant Nieuwe Rotterdamsche Courant, 12 juni 1864 , van een ‘Salon des Variétés’ in de Lombardstraat te Rotterdam ter ere van het vijfentwintigjarig huwelijk van het Koningspaar en ter herinnering aan ‘den Slag van Waterloo,’ vermeldt dat de feestruimte ‘prachtig gestoffeerd [zal] zijn, met Schilderstukken, Deviezen, Transparantie…’

In de kunst werd het woord ook in figuratieve zin gebruikt: De Tijd De Tijd, 21 november 1913  heeft het in een kunstbespreking uit 1913 over een ‘karakteristieke Albert Cuyp’ die ‘van groote transparantie’ is. De Leeuwarder Courant Leeuwarder Courant, 5 april 1963  gebruikt het woord vijftig jaar later in een nieuwsbericht over ‘een nieuw soort glas.’

Pas halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw kreeg “transparantie” ook betekenis buiten het domein van mode, kunst, en raambedekking; in dat van politiek en bedrijfsleven bijvoorbeeld. Een van de eerste voorbeelden was een bericht uit 1994, in het Nederlands Dagblad, over een EU-conferentie Nederlands Dagblad, 26 oktober 1994 die, ‘ondanks alle mooie woorden over openheid en doorzicht (transparantie), nog steeds een besloten aangelegenheid’ was.

Transparantie verlicht

Toch is het idee dat transparantie een goede zaak is, omdat het ervoor zorgt dat machthebbers controleerbaar zijn, en daarmee eerder geneigd uit naam van het volk te handelen, een stuk ouder dan de relatief recente populariteit van de term doet vermoeden. Wat vanaf de jaren negentig “transparantie” ging heten, werd vóór die tijd meestal “openheid” of “openbaarheid” genoemd, en voor de eerste theoriën daarover kan je, zoals meestal eigenlijk, terug naar de Oude Grieken. Christopher Hood Christopher Hood – Transparency, The Key to Better Governance? , hoogleraar aan de London School of Economics, wijst bijvoorbeeld de klassieke opvatting in Sparta en Athene, dat een goede overheid een ‘voorspelbare’ overheid was, aan als voorloper van het transparantie-ideaal.

Maar het expliciete transparantie-denken begint later. De eerste tekenen hiervan vinden we terug bij de filosoof Jean-Jacques Rousseau aan het eind van boek 4 van Les Confessions, geschreven tussen 1765 en 1767. Rousseau gaf aan zijn ziel ‘transparant voor de ogen van de lezer’ te willen maken. De Zweedse Tryckfrihetsförordningen, een wet uit 1766, werd aangenomen om de openbaarheid van bestuur te waarborgen. En de Britse filosoof Jeremy Bentham , wiens Panopticon tweehonderd jaar later een symbool voor de surveillance state zou worden, schreef Jeremy Bentham – ‘Farming Defended’ in 1797 dat het wat hem betreft een waarheid als een koe was dat ‘hoe beter we in de gaten gehouden worden, hoe beter we ons gedragen.’

Het almachtige oog van God maakte plaats voor het menselijke oog van de gewone sterveling.

Het achttiende-eeuwse geloof in de wondere werking van zichtbaarheid en doorzichtigheid hing samen met de Verlichting en de opkomst van moderne wetenschap. Waar voorheen God de allerhoogste autoriteit was, bleef nu enkel de natuur over. De natuur had wetten die kenbaar, meetbaar en voorspelbaar waren; het enige dat je hoefde te doen om die wetten te begrijpen, was goed en systematisch observeren. Het almachtige oog van God maakte plaats voor het menselijke oog van de gewone sterveling. Geen wonder dus dat metaforen als (zon)licht en transparantie in zwang raakten. ‘Licht,’ schreef Woodrow Wilson in 1884, ‘is het enige dat onze politieke sfeer kan verbeteren…licht dat de diepste kamers van de overheid zal laten zien.’ Toen Wilson later president was van de Verenigde Staten, benoemde hij Louis Brandeis Meer over Louis Brandeis op de website van Brandeis University tot het Hooggerechtshof, die beroemd zou worden met zijn uitspraak dat ‘sunlight is […] the best of desinfectants.’ En weer een eeuw later zou klokkenluidersorganisatie WikiLeaks op haar website ongeveer hetzelfde zeggen: ‘Transparency creates a better society for all people. Better scrutiny leads to reduced corruption and stronger democracy in all society’s institutions, including government, corporations and other organisations.’

Wobbende waakhonden

Tijdens de twee wereldoorlogen verstomde het pleidooi voor transparantie enigszins: mensen hadden wel wat anders aan hun hoofd. Bovendien moest je er, met al dat gespioneer, niet aan denken de vijand een handje te helpen. In de conformistische jaren vijftig leek het niet echt een thema te zijn, maar in de woelige jaren zestig nam het streven naar openheid opnieuw een vlucht – met name in de Verenigde Staten, die destijds in het teken stonden van de burgerrechtenbeweging en burgerparticipatie.

De hernieuwde belangstelling voor transparantie als democratiserend middel uitte zich in de oprichting van organisaties als Human Rights Watch, die gegevens over mensenrechtenschendingen verzamelden en publiceerden. Journalisten wierpen zich meer dan ooit op als waakhonden van de democratie, en de overheid faciliteerde dit onder andere door in 1966 de Freedom of Information Act (FOIA Foia.gov: What is the Freedom of Information Act? ) in te voeren, die burgers het recht gaf overheidsinformatie op te vragen. De Nederlandse equivalent, de Wet openbaarheid van bestuur (Wob Rijksoverheid.nl: Wat is de Wet openbaarheid van bestuur? ), volgde pas in 1980.

Burgers waren niet langer volgzame onderdanen die regels van de staat maar hadden te gehoorzamen; de moderne burger moest goed geïnformeerd zijn.

In Nederland was het debat over het belang van openbaarheid van bestuur al eerder aangezwengeld. In 1969 om precies te zijn, door een rapport van de Commissie Biesheuvel – een commissie die was ingesteld om zich over de werkwijze van de Rijksvoorlichtingsdienst te buigen. In het rapport stelde de commissie dat burgers niet langer volgzame onderdanen waren die regels van de staat maar hadden te gehoorzamen; de moderne burger moest goed geïnformeerd zijn om zich zo een mening te kunnen vormen. Overheidsinformatie moest daarom openbaar gemaakt worden en geheimhouding moest de uitzondering worden, niet de regel.

Over het voorstel voor de Wet openbaarheid van bestuur, ingediend in 1970, werd een decennium lang gebakkeleid. Een jaar nadat de wet eindelijk was aangenomen concludeerde een evaluatiecommissie teleurgesteld ‘Nederland profiteert niet van Wet openbaarheid van bestuur’ dat burgers nog maar weinig gebruik maakten van de wet, en dat de overheid zich vooral ‘defensief’ had opgesteld. De Wob stelde burgers weliswaar in staat overheidsinformatie op te vragen, maar de overheid openbaarde alleen informatie waar om gevraagd werd, en aan die burgers die daar om vroegen. Bovendien had de overheid het recht een verzoek te weigeren: ruim dertig jaar later overheerst eigenlijk nog steeds ontevredenheid over de Wob en pleit Nrc.nl: Ombudsman wil Wet openbaarheid van bestuur afschaffen  de Nationale Ombudsman er zelfs voor de wet af te schaffen en gewoon alle informatie voor iedereen openbaar te maken.

Dat “openbaarheid” en “openheid” van bestuur halverwege de jaren negentig in “transparantie” veranderden, had te maken met de opkomst en uitbreiding van internationale organisaties met Engels als voertaal – zoals de Europese Unie en het in 1993 opgerichte Transparency International. Laatstgenoemde verzamelde en publiceerde gegevens over corruptie, om die corruptie zo de wereld uit te helpen.

Een jaar eerder was de EU tot de conclusie gekomen dat het pan-Europese project alleen zou slagen als het legitimiteit had bij burgers, en hiervoor was transparency nodig. Zo vermeldde het Verdrag van Maastricht Maastricht Treaty  dat ‘transparency of the decision-making process strengthens the democratic nature of the institutions and the public’s confidence in the administration.’ Ook voor lidstaten en donoren van andere internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) werd transparantie – over waar en hoe hun geld werd besteed – een vereiste. In nieuwsberichten over deze organisaties vertaalden Nederlandse media dit Engelse woord letterlijk met “transparantie.” In het begin volgde dan vaak nog een uitleg tussen haakjes (‘dit wil zeggen, doorzichtigheid van bestuur’), maar al gauw stond het begrip op zichzelf.

Wat een huis was geweest waarvan de deuren en ramen open konden, was nu een huis van glas.

Nu lijkt het verschil tussen “openheid” en “transparantie” slechts een taalkwestie, maar het verschil is groter dan dat: waar “openheid” en “openbaarheid” namelijk een handelswijze aanduiden, is “transparantie” een permanente eigenschap, een staat van zijn – met handelingen die daar als vanzelf uit voortvloeien. Het verlangen naar een “kenbare” overheid – en naar kenbare instituten en bedrijven – werd zo dus plots een stuk radicaler: wat een huis was geweest waarvan de deuren en ramen open konden, was nu een huis van glas.

De sinds de jaren negentig toegenomen populariteit van transparantie kan je op verschillende manieren verklaren. Erna Scholtes zet in haar proefschrift een aantal ‘aanjagers’ van transparantie op een rij. Ze noemt onder meer de technologische ontwikkelingen die het delen en openbaren van informatie gemakkelijker maken (microfilm in de jaren zeventig, het internet nu), de eerder genoemde opkomst van internationale organisaties, en incidenten als de Bouwfraude, waaraan een gebrek aan transparantie ten grondslag lag.

De vriendelijke verklaring voor het feit dat overheden, semi-publieke instellingen zoals ziekenhuizen, en grote bedrijven zich tegenwoordig graag als transparant afficheren is dan ook dat burgers en consumenten eindelijk serieus worden genomen. Een cynicus ziet in de belofte van transparantie eerder opportunisme: zeker nu tegenwoordig het vertrouwen van burgers en consumenten in overheden en multinationals afneemt, kunnen die laatstgenoemden niet anders dan transparantie beloven. Maar het gevolg is transparantie met een hoop mitsen en maren, zoals bijvoorbeeld het gemopper over de Wob laat zien.

Transparantie als illusie

Door de haast automatische manier waarop transparantie wordt geopperd als oplossing of doel zou je haast vergeten dat je er ook best argumenten tégen kan verzinnen. Grappig genoeg komen zulke argumenten vaak uit Amerika, het land dat vooropliep in de mondiale transparantiebeweging. Neem Aaron Swartz , de internetactivist die eerder dit jaar zelfmoord pleegde. Wees sceptisch wanneer iemand ‘transparantie’ in de mond neemt, schreef hij een paar jaar geleden op zijn blog: transparantie kan namelijk prima gebruikt worden om verantwoordelijkheid te ontduiken.

Als voorbeeld noemt Swartz de reactie van de Amerikaanse overheid op de verontwaardiging die na Watergate was ontstaan over de grote bedragen die bedrijven aan politici betaalden: ‘In plaats van zulke praktijken te verbieden, eiste de overheid simpelweg dat politici bij moesten houden van wie ze geld kregen, en dat ze een verslag daarover voor het publiek toegankelijk moesten maken.’ Met andere woorden, in plaats van het probleem op te lossen, verleg je het naar de burger – een burger die, aldus Swartz Aaron Swartz: When is Transparency Useful? , ‘de tijd noch de capaciteiten heeft om dit soort vraagstukken te onderzoeken, laat staan om er iets aan te doen’.

Transparantie kan ook gebruikt worden om onrecht te doen, of om de publieke opinie te manipuleren.

Dat transparantie in de praktijk minder helder en haalbaar is dan de theorie belooft, lezen we ook in het boek Secrets: On the Ethics of Concealment and Revelation (eerst verschenen in 1983 en onlangs heruitgegeven), van de Amerikaanse filosoof Sissela Bok. Bok herinnert Sissela Bok’s Secrets is deels na te lezen op Google Books haar lezers eraan dat Woodrow Wilson, eenmaal president van de VS, ‘fell far short of imposing the ideal of complete openness that he had advocated.’ Wilson hield al snel op met de tweewekelijkse persconferenties die hij bij zijn aantreden had ingesteld, en in 1917 introduceerde hij, met de oprichting van de Committee on Public Information, zelfs overheidscensuur voor de pers. Dat valt Wilson niet aan te rekenen, schrijft Bok: overheden hebben nu eenmaal een zekere mate van geheimhouding nodig om tot beslissingen te kunnen komen.

Maar transparantie kan ook gebruikt worden om onrecht te doen, of om de publieke opinie te manipuleren: neem het lekken van persoonlijke informatie over politieke tegenstanders, of van documenten om in gang zijnde onderhandelingen te saboteren. Als extreem voorbeeld van overheidsmanipulatie door openbaarheid noemt Bok het showproces, waarin geweld en misleiding worden ingezet om, in alle openbaarheid, een gewenst doel te bereiken.

Zoals Swartz en Bok laten zien, is transparantie dus verre van neutraal, en lang niet altijd effectief: het begrip is vaag genoeg om op allerlei verschillende manieren in te kleuren. In die zin zijn “openheid” en “openbaarheid” betere termen: ze suggereren een handeling, en daarmee een proces – dat onvolledig kan worden uitgevoerd en waarbij dingen mis kunnen gaan. Waar openheid van zaken geven iets is wat je doet, daar omschrijft “transparantie” eerder een eigenschap, een staat van zijn. Maar de overheid zal nooit écht van glas worden: eigenlijk is transparantie dus een valse belofte, en daarmee een recept voor teleurstelling.

Zomerconferentie over transparantie

Afgelopen zomer organiseerde het Montesquieu Instituut in Den Haag een zomerconferentie met als titel ‘Weg met achterkamertjes? Alles openbaar?’ Gedurende een week debatteerden politici, juristen, studenten en journalisten over de zin en onzin van transparantie. Op de website van het instituut zijn verslagen van de bijeenkomsten na te lezen.

Bezoek de website van de conferentie

Hoe creativiteit een talent van iedereen en een oplossing voor alles werd

Bron – De Correspondent.

We leven in een samenleving waarin creativiteit alom wordt gepropageerd als goed en waarin tegelijkertijd wordt bezuinigd op experimentele kunst en fundamentele wetenschap. Dat komt door onze steeds beperktere definitie van wat ‘creatief zijn’ betekent. Een essay over dit sleutelwoord van onze tijd.

Hoe creativiteit een talent van iedereen en een oplossing voor alles werd

Detail uit werk van Constant Nieuwenhuys, 'Sectoren in berglandschap', New Babylon, 1967. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.

Detail uit werk van Constant Nieuwenhuys, ‘Sectoren in berglandschap’, New Babylon, 1967. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.

 

Tussen 1990 en 1995 interviewde de psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi , samen met zijn studenten aan de Universiteit van Chicago, ‘91 uitzonderlijke individuen’– kunstenaars, wetenschappers, schrijvers, sommigen Nobelprijswinnaars. Het doel: erachter komen ‘hoe het creatieve proces werkt, en welke omstandigheden de generatie van originele ideeën aanmoedigen of juist tegenwerken.’

 

In 1996 publiceerde hij de resultaten van zijn onderzoek in het boek Creativity: Flow and the Psychology of Discovery and Invention.  Lees meer over het boek op de site van uitgever HarperCollins. Sommige mensen, schreef Csikszentmihalyi in de inleiding van dat boek, ‘vinden het onderzoeken van creativiteit een elitaire afleiding van veel belangrijkere problemen […].’ Volgens hen zouden we al onze energie moeten gebruiken om zaken als overbevolking en armoede te bestrijden, en zou een interesse in creativiteit maar een ‘onnodige luxe’ zijn.

 

Maar, meende Csikszentmihalyi, zulke problemen ‘kunnen we alleen oplossen wanneer we er veel aandacht aan besteden, op een creatieve manier.’ 

 

Het nieuwe heiligdom: de creatieve industrie

 

Nu, twintig jaar later, zou Csikszentmihalyi zo’n disclaimer niet meer nodig hebben. Inmiddels doen bedrijven en overheden niets anders dan het aanmoedigen van ‘creatieve oplossingen’ Zie bijvoorbeeld deze ‘uitdaging’ van Royal Haskoning, de Delta Alliance en de stad Rotterdam. voor zaken als klimaatverandering en grondstoffenschaarste.

 

Creativiteit is niet voor niets een van de ‘21ste-eeuwse vaardigheden’ die scholieren moeten meekrijgen. Vorige week deed SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling, nog een oproep voor het maken van stappenplannen Lees meer over SLO in deze column van Johannes Visser: ‘Waarom je creativiteit niet met een stappenplan kunt bereiken.’ om de leerlingen van de toekomst creatief te maken.

 

En complexe vraagstukken die om een oplossing vragen zijn niet de enige reden. In een samenleving waar niet alleen fysieke producten, maar vooral ook intellectueel eigendom verhandeld wordt, heb je nu eenmaal meer aan creativiteit dan aan, ik noem maar wat, het talent om heel lang en heel zorgvuldig een zeventiende-eeuws schilderij te restaureren.

 

Each and every one of us is creative,’ schrijven de broers David en Tom Kelley in het boek Creative Confidence

 

Daarom verwacht de overheid veel van de creatieve industrie: Lees meer over de creatieve industrie-plannen op de website van het topsectorenbeleid. Nederland moet in 2020 ‘de meest creatieve economie van Europa’ worden. En heeft het bovendien de hoop gevestigd op de creatieve klasse: die moet naast het aanjagen van de creatieve industrie, ook de stedelijke ontwikkeling Zie: ‘Hoe de broedplaats een surrogaat voor echte stedelijke ontwikkeling werd’ van gastcorrespondent Roel Griffioen. opstuwen.

 

De populariteit van het begrip zie je ook terug in de enorme hoeveelheid boeken, blogs en artikelen met titels als: Creativity, Inc., Hoe creativiteit werkt, en Creativiteit. Hoe? Zo!  Voor een greep uit de creativiteitstitels, klik hier.

 

De boodschap is duidelijk: wie nog niet creatief is, kan het (maar beter) wel worden. ‘Each and every one of us is creative,’ schrijven de broers David en Tom Kelley (respectievelijk oprichter van het Stanford Institute of Design en auteur van The Art of Innovation) bijvoorbeeld in het vorig jaar verschenen Creative Confidence. Het boek Meer over Creative Confidence vind je op de website van het boek. is bedoeld om iedereen die wil de ‘principes en strategieën’ bij te brengen die we nodig hebben ‘to tap into our creative potential.’

 

‘Creativiteit’ is, kortom, een sleutelwoord tot deze tijd – net zo heilig als ‘duurzaam’ en ‘transparant.’ Maar wat wordt er precies mee bedoeld? Waar komt de obsessie ermee vandaan? En gaat er, in alle ophemeling ervan, ook niet wat verloren?

 

 

'Groep Sectoren', 1959, New Babylon. Constant Nieuwenhuys. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
‘Groep Sectoren’, 1959, New Babylon. Constant Nieuwenhuys. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.

 

Niet alleen kunstenaars zijn creatief, ook bedrijfsleiders

 

Volgens de Van Dale is creativiteit simpelweg ‘scheppend vermogen’; voor Csikszentmihalyi is het ‘een proces waarbij een symbolisch domein in de cultuur veranderd wordt. Nieuwe liedjes, nieuwe ideeën en nieuwe machines, dat is waar creativiteit om gaat.’

 

In beide gevallen zou dat wat geschapen wordt, of dat wat nieuw is, zowel goed of slecht kunnen zijn. Het zou praktisch kunnen zijn, of alleen maar mooi, handig of totaal nutteloos, bevestigend of juist bekritiserend; de enige vereiste is dat het wezenlijk verschilt van dat wat er al was.

 

De definitie van creativiteit die overheden, bedrijven, jobcoaches en andere creativiteitsgoeroes er nu op na houden, is daarentegen een stuk enger. Tegenwoordig, schrijft de kunstsocioloog Pascal Gielen in Creativiteit en andere fundamentalismen, Creativiteit en andere fundamentalismen wordt er van creativiteit namelijk ‘niets dan goeds verwacht.’

 

Creativiteit wordt hoofdzakelijk als probleemoplossend, louter positief en altijd nuttig gezien

 

Volgens Gielen begon onze creativiteitsmanie om of nabij het einde van de Koude Oorlog. Toen onstond er namelijk een nieuwe samenleving, ook wel een ‘platte’, een ‘netwerk’- of een ‘vloeibare’ samenleving genoemd. In het kort: in deze nieuwe wereld kalven traditionele instituties af, wordt de individuele ondernemingszin steeds belangrijker, vervangt het tijdelijke project alles wat een lange adem vereist en is verandering een constante.

 

Creativiteit is in die wereld hoofdzakelijk probleemoplossend, louter positief en altijd nuttig. Lang het domein van kunstenaars, wetenschappers en genieën, in de nieuwe, platte wereld worden ook ‘bedrijfsleiders en beleidsvoerders’ en ‘gezinstherapeuten en conflictbemiddelaars’ aangemoedigd creatief te zijn.

 

Creatieve bedrijven, zegt bijvoorbeeld de Dutch Creative Council, De website van de Dutch Creative Council vind je hier. ‘zijn in staat om complexe vraagstukken en maatschappelijke uitdagingen op manieren te bekijken, waar anderen nog niet aan hadden gedacht. Hierdoor ontwikkelen creatief ondernemers hoogwaardige innovatie van spraakmakende en gewilde producten en diensten.’

 

Anders gezegd: creativiteit = kassa. Explainer: Wat is de creatieve industrie?

 

Creativiteit is goed, maar het moet wel wat opleveren

 

Zo kan het gebeuren dat, terwijl iedereen – van onderwijsraad tot het ministerie van Economische Zaken – Zie bijvoorbeeld deze site over overheidssubsidies voor de creatieve industrie. wegloopt met creativiteit, overheidssteun voor de kunst- en cultuursector juist drastisch wordt teruggeschroefd.

 

Experimenteel theater, autonome beeldende kunst, onconventionele muziekvormen – het zijn allemaal creatieve uitingen die paradoxaal genoeg op minder sympathie (en vooral: subsidie) kunnen rekenen van de overheid, in een tijd dat juist hun grootste kwaliteit alom bejubeld wordt.

 

Datzelfde geldt voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek – volgens veel van de door Csikszentmihalyi geïnterviewde wetenschappers een belangrijke voorwaarde voor creatieve doorbraken.

 

Er is weinig ruimte voor creativiteit waarvan de uitkomst losstaat van de markt, of voor creativiteit die de fundamenten van de hedendaagse samenleving bevraagt

 

De makers van apps, websites en games worden daarentegen weer wel gesteund met gesubsidieerde broedplaatsen en creatieve hubs – zij beloven immers economisch rendement.

 

Hierdoor blijft er weinig ruimte over voor creativiteit waarvan de uitkomst losstaat van de markt, of voor creativiteit die de fundamenten van de hedendaagse samenleving bevraagt. Voor creativiteit die onderzoekend is, meanderend, speels. Met andere woorden: creativiteit die niet direct nuttig is, waarvan de resultaten niet direct vallen te vangen in ranglijstjes of impact-assessments.

 

Socioloog Ruben Jacobs gaat zelfs nog verder. Hij verbaast zich erover dat alleen de positieve kanten van creativiteit worden bezongen. In Iedereen een kunstenaar Iedereen een kunstenaar verwijst hij naar een studie De Harvard-studie, The Dark Side of Creativity, staat hier. van de Harvard Business School, waaruit blijkt dat creativiteit ook zijn donkere kanten kent: creatieve impulsen kunnen mensen ertoe aanzetten ‘onethische’ routes te bewandelen, en ‘creatief georiënteerde mensen [zijn] eerder geneigd om vals te spelen, maar tegelijkertijd ook in staat…om dit op originele wijze goed te praten.’

 

 

'Diorama III', 1962, New Babylon. Constant Nieuwenhuys. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
‘Diorama III’, 1962, New Babylon. Constant Nieuwenhuys. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.

 

Creativiteit als bevestiging van de status quo

 

Maar voor de negatieve kanten van creativiteit is de vroeg-eenentwintigste eeuw liever blind. Sowieso blijkt dat de meeste mensen eigenlijk huiverig staan tegenover écht creatieve uitingen; die zijn onbekend, en daarmee onzeker, en de meeste mensen prefereren zekerheid. Creativiteit anno nu problematiseert niet, het lost problemen op – en bij voorkeur binnen de lijntjes.

Neem Daan Roosegaarde, misschien wel Nederlands meest prominente creatieveling nieuwe stijl. Zijn werk combineert kunst, technologie en ondernemingszin op ingenieuze wijze, vaak met prachtige en prikkelende creaties als resultaat. Een van Roosegaardes lopende projecten, het Smog Free Park, Op de website van Studio Roosegaarde vind je meer over het Smog Free Park is een enorme ‘smogstofzuiger’ die in een park in Beijing moet worden neergezet. Dankzij de gepatenteerde technologie achter deze stofzuiger kunnen mensen in Beijing ‘gratis schone lucht ervaren.’

Dat klinkt nobel – schone lucht voor de inwoners van deze vervuilde miljoenenstad – én potentiëel lucratief: het gaat hier immers om gepatenteerde technologie. Maar je kan het ook zien als een vernuftig staaltje symptoombestrijding: is de wereld vervuild? Zet overal smogstofzuigers neer, en aan de oorzaken van die vervuiling hoef je niets meer te doen.

 

Dit is geen neutrale oplossing, maar eentje die het systeem impliciet bevestigt. De smogstofzuiger maakt bovendien van iets dat een mensenrecht zou moeten zijn – schone lucht – een attractie waar je in het weekend naartoe kan, en waarvan je blij mag zijn dat de creatieveling die er verantwoordelijk voor is geen toegangsprijs rekent.

 

Wat creativiteit nog meer kan dan alleen rendabel zijn

 

Wat gaat er verloren als creativiteit zo eendimensionaal wordt dat het alleen nog maar productief, probleemoplossend en systeembevestigend mag zijn?

 

In zijn boek Creativity noemde Csikszentmihalyi niet één maar twee redenen voor het bestuderen van creativiteit. De eerste was dat creativiteit nu eenmaal nodig was om belangrijke maatschappelijke problemen op te lossen. Maar daarnaast schreef hij: ‘Om een goed leven te hebben is het niet genoeg om alleen maar dat weg te halen wat er mis is.’

 

 

 

Om het leven echt waardevol te maken is de afwezigheid van honger en armoede niet genoeg; we hebben ook een positief doel nodig. Want wat heeft het leven anders voor zin? Een antwoord op die vraag, aldus Csikszentmihalyi, ‘is creativity: it provides one of the most exciting models for living.’

 

Voor Csikszentmihalyi was creativiteit minstens zo interessant en belangrijk om wat het voor een individu kon beteken. Wanneer we creatief bezig zijn ‘hebben we het gevoel intensiever en meer voluit te leven dan in de rest van ons leven.’ De uitkomst van het creatieve proces is daarbij niet eens van belang: ‘zelfs zonder succes putten creatieve personen plezier uit een goed uitgevoerde taak. Leren om het leren loont’ – zelf wanneer het niet tot een maatschappelijk toepasbaar resultaat leidt.

 

In New Babylon kon iedereen creatief zijn, omdat ze niet hoefden te werken – in plaats van dat ze het moesten zijn voor hun werk

 

Maar het geluk van het individu dat creatief is om het creatief zijn doet er niet echt toe in de eenentwintigste eeuw. Net als hedendaagse creativiteit ook niet bedoeld is om de status quo te bevragen, nieuwe vergezichten te schilderen, of radicaal andere werelden voor te stellen, zoals Cobra-kunstenaar Constant Nieuwenhuys dat bijvoorbeeld deed met zijn megalomane kunstproject New Babylon. Daarin bouwde hij gedurende de jaren vijftig en zestig een volstrekt andere maatschappij in schilderijen, sculpturen, maquettes en lezingen.

 

In New Babylon vormde niet de economie de basis van de samenleving, maar de spelende mens; privéruimte was er tot een minimum beperkt, publieke ruimte had de overhand en inwoners leidden er een nomadisch bestaan. Iedereen kon er creatief zijn, omdat ze niet hoefden te werken – niet omdat ze het moesten zijn voor hun werk. New Babylon was geen utopie en geen dystopie, maar een ‘illustratie van een levenswijze in een veronderstelde samenleving.’ Geen vormgeving, maar een uitdaging: volstrekt nutteloos, maar onverminderd prikkelend.

 

Ook dat is creativiteit.

 

 

Revised Bloom’s Taxonomy – Center for Excellence in Learning and Teaching

Source.

A Model of Learning Objectives, based on ‘A Taxonomy for Learning, Teaching, and Assessing:
A Revision of Bloom’s Taxonomy of Educational Objectives*’

PDF handout of the Model of Learning Objectives (1.7MB)
View an interactive Flash-based model by clicking here.
View a text-only table by clicking here.

BloomsTaxonomyRevised

Continue reading Revised Bloom’s Taxonomy – Center for Excellence in Learning and Teaching

Second opinion in het onderwijs is dringend gewenst. Blogs – Onderwijs – TROUW

Blogs – Onderwijs – TROUW.

Second opinion in het onderwijs is dringend gewenst.

Het onderwijs mist een second opinion. Overal waar advies wordt gezocht over onderwijs, zijn het mensen uit de onderwijsindustrie zelf die adviseren. Is er meer geld nodig voor onderzoek? Hoogleraren zijn massaal op geld uit en zullen dus adviseren dat er dringend meer geld nodig is. Men vraagt het personeel van de slager of er meer vlees moet worden gegeten.

Kijk eens rond op websites die scholieren adviseren over studiekeuze. En zoek dan na wie er achter de adviezen zitten. Tien tegen een dat het de universiteiten zijn in de VSNU of het ministerie van onderwijs. Daar bestaat een groot financieel belang bij ruime aantallen eerstejaars en wordt studeren dus gepropageerd. Via de VSNU worden de lijstjes verspreid met kansrijke studies. Die lijstjes kloppen dan ook van geen kant. Neem het veelbezongen bètatekort. In de bètavakken zou werk zijn en in een economische crisis wordt dan ook meer voor bèta gekozen. Wat is echter de praktijk? Bekijk een studie als natuurkunde. Daarmee kun je onderzoek doen. Jongeren van 17 kiezen daar nu gretig voor. Een heel zware klus, die studie, maar dan heb je ook werk. Neem eens aan dat er 500 natuurkundigen werken in onderzoek en dat die in 33 jaar worden vervangen. Dan heb je zo’n 15 vacatures per jaar. In 2012 was het aantal eerstejaars studenten bijna 900. Nog geen 2% van de eerstejaars zal een baan vinden in zijn vak. Toch steken universiteiten en andere belangenclubs de loftrompet over de boeiende studie natuurkunde. Een jongere van 17 is gemakkelijk te bepraten. De slager wil vlees verkopen. Of het vlees nog wel geschikt is voor consumptie? Je houdt je kop maar!

Of neem de sociale wetenschappen, waar er jaarlijks ca. 15.000 afstuderen. Reken in het maatschappelijk leven met 33 jaargroepen (leeftijden tussen 27 en 60), dan heb je er een half miljoen. Wie zitten daarop te wachten? Laten er 1000 mensen een loopbaan hebben in onderzoek. Die geven 30 vacatures per jaar. Wie hebben er belang bij duizenden afstudeerders jaarlijks? Alleen de universiteiten zelf, die er hun geld aan verdienen. Verder niemand. Maar de reclame voor hogere studies wijst juichend op interessante vakken en een aantrekkelijk toekomstperspectief. Ouderejaars gaan geleidelijk beseffen dat ze in een val gelopen zijn. De universiteiten zitten daar niet mee. De studenten studeren maar af en houden hun kop. Wegwezen jullie! De slager verkoopt zijn vlees.

Nu hebben zelfs de regeringen zich laten flessen. Zij zijn gewend de adviezen van de OESO serieus te nemen. Welnu, daarvoor hebben de universiteiten hun lobby bij de OESO goed georganiseerd. En dus kwam er op Europees niveau de Lissabon doelstelling. Er moest 50% hoger worden opgeleid. De slager zal verkopen.

Het is hoog tijd dat er een autoriteit voor het onderwijs in het leven wordt geroepen. Adviezen aan de politiek behoren onafhankelijk te zijn en niet door de slager zelf te worden gegeven. De oplichterij aan jongeren van 17 kan niet door de beugel. Het kan niet langer dat de VSNU en het ministerie van onderwijs het monopolie hebben op de cijfers en dat adviezen telkens opnieuw worden gegeven door hoogleraren, die het wel uit hun hoofd zullen laten om in het nadeel van de slagerij te adviseren. De keuring van vlees moet weg bij de slager.

data: CBS en Ned. Tijdschr. Natuurk. dec. 2012

Trefwoorden: studiekeuze, second opinion

Geplaatst door neker en laat op 26/01/2015

Verplicht dit, verplicht dat: onderwijs wordt overstelpt met suggesties – Onderwijs – TROUW

Bron – TROUW.

Verplicht dit, verplicht dat: onderwijs wordt overstelpt met suggesties

Jan Kruidhof − 30/01/15, 08:51
© anp. Op de Master Steve JobsSchool in Sneek werken kinderen met iPads

De rekentoets verplicht stellen? Geen denken aan, roepen veel leraren. Al jarenlang horen zij van allerlei kanten wat verplicht gesteld zou moeten worden op scholen. Filosofie, programmeren, Duits: iedereen lijkt te weten wat echt belangrijk is.

Als kind denk je op school al snel: “Wat heb ik later in vredesnaam aan deze kennis? Als ik het voor het zeggen had, zag een school er heel anders uit.” Dat laatste idee lijkt niet te verdwijnen bij het volwassen worden, gezien alle suggesties die buitenstaanders aan blijven dragen. Een selectie van welbedoelde ideeën.

Verplicht kennis waarmee je een baan scoort
“Doe goed je best op school, dan vind je later een mooie baan”, horen kinderen vaak. Maar dan moet er op school wel geleerd worden wat op de arbeidsmarkt nodig is. Burgemeesters van grote steden in de grensstreek pleitten er daarom in 2013 al voor om Duits verplicht te stellen op scholen. Over de grens liggen volgens hen genoeg kansen op een baan voor mensen met MBO-diploma. Maar dan moeten ze wel Duits kunnen. En dat kunnen ze niet allemaal.

Minister Jet Bussemaker van Onderwijs liet al weten geen voorstander te zijn van dit plan. Toch kreeg zij deze maand vanuit de Achterhoek opnieuw het verzoek om Duits verplicht te stellen, in plaats van Engels. Ook Euregio, een samenwerkingsverband van grensstreekgebieden, baalt dat Engels wel verplicht is en Duits niet. “Daarom beginnen we nu zelf een actie op middelbare scholen in Twente.”

 

  • “Strikt genomen is er misschien geen sprake van praktisch nut”

    Filosoof en historicus Frank Ankersmit over filosofielessen

Verplicht kritisch denken
Van Duits is het maar een kleine stap naar de filosofie. Dat vak zou ook verplicht moeten zijn in het voortgezet onderwijs, vindt filosoof Awee Prins. “Je leert kritisch denken, verschillende perspectieven te ontwikkelen en écht te begrijpen wat er in de wereld gebeurt. In deze roerige tijden is daar behoefte aan.”

Onderwijsjournalist Johannes Visser van de Correspondent is het met hem eens. Hij mist aandacht voor denkvaardigheden op school. Een nieuw vak introduceren is niet nodig, we moeten gewoon profiteren van filosofie, een vak dat al zo oud is al het onderwijs zelf: “Toekomstbestendig onderwijs door terug te grijpen op de klassieken.”

Maar wat is het nut van filosofische kennis? “Strikt genomen is er misschien geen sprake van praktisch nut“, geeft historicus en filosoof Frank Ankersmit toe. Maar dat is volgens hem ook helemaal geen probleem: “Er zijn natuurlijk meer vakken op school die geen onmiddellijk praktisch nut hebben voor de latere bezigheden van een leerling. Dat is geen probleem, zoals Seneca zei: non scholae, sed vitae discimus, wij leren niet voor de school, maar voor het leven.”

‘Verplicht een vak dat ons gezond houdt’
De Nederlandse gezondheidszorg is de beste van Europa, maar we kunnen nog wel meer doen aan preventie, concludeerde een Zweedse denktank deze week.

Artsenfederatie KNMG weet wel hoe je ziekten kunt voorkomen in plaats van verhelpen. “Gezondheidsvoorlichting zou in het middelbaar onderwijs eigenlijk een verplicht vak moeten worden, zodat patiënten zelf deskundig worden in het oplossen van kleine problemen”, zei toenmalig voorzitter Arie Nieuwenhuijzen Kruseman in 2012. Hij haalde een aloude doktersgrap aan. “Ik zeg wel eens: ‘Bij een patiënt die griep heeft en naar de huisarts gaat, gaat de griep naar twee weken over. Maar als hij zijn eigen maatregelen neemt, is het binnen veertien dagen opgelost.'”

Verplicht programmeren, de taal van de toekomst
Letters overtrekken, hakken en plakken met lettergrepen: een van de eerste dingen die je op school leert is lezen en schrijven. Het nieuwe lezen en schrijven is programmeren, stelde Neelie Kroes in haar laatste week als Eurocommissaris ICT-zaken. “Het is belangrijk dat kinderen weten dat een computer niet zomaar antwoord geeft, maar nadenkt over wat jij vraagt.”

Kroes uitte kritiek op de Nederlandse overheden, omdat er alleen nog gepraat wordt over programmeren als schoolvak. “We lopen daarmee achter op andere landen.” In het Verenigd Koninkrijk is programmeren al een verplicht schoolonderdeel. Niet alleen op middelbare scholen, maar ook op de basisschool.

In 2013 pleitte de Koninklijke Akademie van Wetenschappen al voor een radicaal andere aanpak van informaticaonderwijs op havo en vwo. “De vakken zijn ouderwets, en de leraren zijn vaak eenlingen die geen opvolger hebben als ze met pensioen gaan”, vat hoogleraar Jan Karel Lenstra van het Centrum voor Wiskunde en Informatica samen. “We leven in een wereld die een open netwerk vormt, en waarin informatie centraal staat. Daar moeten jongeren mee leren omgaan, willen we als kennis- en innovatie-economie mee blijven tellen.”

De KNAW adviseerde daarom een nieuw, verplicht vak informatie & communicatie in te voeren voor de onderbouw van havo en vwo, en een keuzevak informatica voor de bovenbouw.

 

  • © anp.
    Een moeder en kind programmeren een robot tijdens het Weekend van de Wetenschap op het Amsterdam Science Park.

Verplicht technische vakken, daar is behoefte aan
Er wordt veel geroepen, maar wordt er ook wel eens een vak daadwerkelijk verplicht? Ja, techniek bijvoorbeeld. Nederland heeft een groot gebrek aan mensen met een technische opleiding en daarom moeten alle 7000 basisscholen vanaf 2020 verplicht technieklessen geven. De hoop is, dat hierdoor meer leerlingen kiezen voor een technische opleiding.

Hoe werd die verplichting gerealiseerd? Door samen te werken. Werkgevers, werknemers en onderwijsorganisaties sloten in 2013 een techniekpact met regionale overheden en het kabinet. Minister Bussemaker was blij dat het onderwijs beter gaat aansluiten op de vraag van het bedrijfsleven in de regio. “Eén en één is in dit geval drie. Elke euro van het Rijk wordt aangevuld met een euro van het bedrijfsleven en de regio. Daarmee laten we alle drie zien dat we het probleem onderkennen en met échte oplossingen willen komen.”

Nu maar hopen dat zo’n verplichting ook echt werkt.