Het gedoe op het vmbo is eigenlijk wel lekker

Source: TROUW

Het gedoe op het vmbo is eigenlijk wel lekker

Marijke de Vries − 26/08/15, 12:34
© Maartje Geels. De nieuwe columnisten: wiskundeleraar René Kneyber (links) en docent Engels Bart Ongering.

Interview René Kneyber geeft wiskunde, Bart Ongering, op sociale media beter bekend als ‘Meester Bart’, is docent Engels. Vanaf deze week schrijven zij beurtelings een column over onderwijs en opvoeding in de Verdieping. Een kennismaking met twee bevlogen leraren, die allebei op een vmbo lesgeven.

  • © Maartje Geels.
    René Kneyber
  • Natuurlijk bereid ik ze voor op hun examen, maar dat geeft mij als docent minder voldoening

_________

René Kneyber: ‘Veel docenten hebben geen eergevoel’
_________

Ja, hij is een strenge leraar. Wiskundedocent René Kneyber schiet in de lach. “Ik ben strikt, maar rechtvaardig. Dat vinden mijn leerlingen ook wel, denk ik.” Dat is gewoon nodig op het vmbo, zegt de docent die vandaag zijn eerste column in Trouw publiceert. “Leerlingen moeten weten hoe je het wilt hebben. Ik verwacht dat iedereen zijn boek bij zich heeft. Is dat niet geval, dan heeft dat consequenties. Ze moeten snel doorhebben dat je betrouwbaar bent.”

Toen Kneyber dertien jaar geleden een baan kreeg als leraar op het Oosterlicht College in Nieuwegein – ‘een relatief gemengde, stadse school’ – ging dat anders. Orde houden kon-ie voor geen meter. “Ik pakte het helemaal verkeerd aan. In het begin dacht ik: of ze aan het werk gaan is hun eigen verantwoordelijkheid. Maar dat is een havo-gedachte. Mijn leerlingen krijgen pas op de dag voor hun examen stress over dat ze het niet gaan halen. Als je wilt dat ze iets doen, moet je ze in zekere mate dwingen mee te doen, anders gaan ze aan je stoelpoten zagen.”

Koos je bewust voor het vmbo?
“Ik wist eerlijk gezegd niet eens wat dat was. Ik werkte bij een internetbedrijf, maar kreeg last van rsi. Leraar was toen nog een van de weinige beroepen waarvoor je geen computer nodig had. Daarbij kwam dat ik vroeger, als kind, leraar wilde worden. Ik heb overal gesolliciteerd als zij-instromer. Het Oosterlicht College nodigde me uit. Ik werk er nog steeds.”

Je begon zonder lesbevoegdheid voor de klas?
“Ja, en ik was héél onbevoegd. Er waren twee andere kandidaten voor de baan die kennelijk nóg ongeschikter waren. Daarom ben ik voorstander van een lerarenregister waarin docenten hun diploma’s en bijscholingscursussen moeten bijhouden. Ik weet nog wat voor puinzooi het was toen ik begon.”

Dat is nu wel anders?

“Zeker. Tegenwoordig geniet ik van de strijd die je soms met leerlingen moet voeren. Op de havo en het vwo zijn ze braver: ik gaf daar een keer een invalles waarbij leerlingen geen rekenmachine mochten gebruiken. Een paar deden dat toch. Toen ik er wat van zei deden ze hem meteen weg. Op het vmbo levert dat een kwartier gedoe op en dat vind ik eigenlijk wel lekker. Het is mijn taak om leerlingen op te voeden, dat is belangrijker dan de vakinhoud.”

Maar ze moeten toch ook iets opsteken?
“Ik probeer ze een zekere vorm van zelfdiscipline bij te brengen. Leren omgaan met uitgestelde aandacht, omgangsvormen. Als iets niet lukt: blijven proberen. Natuurlijk bereid ik ze voor op hun examen, maar dat geeft mij als docent minder voldoening.”

  • Veel leraren hebben geen visie op onderwijskwaliteit, dat is ronduit treurig. De realiteit is dat maar een kleine groep leraren zich echt roert

Opklimmen naar een hoger niveau wordt voor leerlingen steeds moeilijker, signaleren de onderwijsinspectie en de Onderwijsraad. Merk jij dat ook?
“Ja, en dat vind ik heel zorgwekkend. Een leerling die eenmaal op een bepaald schoolniveau terechtkomt zal niet snel opklimmen. Dat is een kwestie van structuur, maar ook van cultuur. Wij geloven dat er zoiets bestaat als dé vmbo-leerling en de havist. Alsof dat een vaststaand feit is. Ik hoor het ook in rapportvergaderingen: deze leerling doet zijn best maar hij kan het niveau niet aan. Of andersom: hij kan het wel maar hij heeft er geen zin in. Dat kun je niet zeggen, want leerlingen zijn veel te jong om al te voorspellen wat ze kunnen. We zouden kinderen moeten toetsen om te kijken hoe we ze verder kunnen helpen, in plaats van ze af te rekenen op cijfers.”

Vorig jaar publiceerde je samen met Jelmer Evers ‘Het Alternatief – Weg met de afrekencultuur in het onderwijs!’
“Wij verzetten ons tegen de algemene tendens in het onderwijs waarbij de inspectie steeds meer naar resultaten kijkt en scholen zich steeds berekenender gedragen. Neem de richtlijn dat de gemiddelde cijfers voor schoolexamens en centrale examens niet teveel mogen verschillen. Dan zeggen schoolleiders tegen hun docenten: jongens, we passen de normering van onze toetsen aan. Er is niemand die zich afvraagt: is dat wenselijk? Is dit wat de onderwijsinspectie van ons vraagt? Moeten we geen verzet bieden?”

Kneyber is kritisch over de houding van veel collega’s. In Trouw verweet hij leraren vorig jaar ‘te lamlendig‘ te zijn: “De cultuur in het onderwijs is klagen en vervolgens niets doen. Alleen voor hogere salarissen en passend onderwijs gaan ze naar het Malieveld. Ze zeggen dat ze weer de baas over hun vak willen zijn. Dan moeten ze wel eerst bewijzen dat ze dat waard zijn.”

Toch pleiten jullie voor meer zeggenschap voor de docent? Heeft dat wel zin?
“Het klopt dat bij veel docenten eergevoel ontbreekt. Veel leraren hebben geen visie op onderwijskwaliteit, dat is ronduit treurig. De realiteit is dat maar een kleine groep leraren zich echt roert. Toch moeten leraren meer betrokken worden bij het vormgeven van onderwijs. Als we goed onderwijs willen voor onze kinderen hebben we hun expertise nodig en moeten we dat niet overlaten aan de ambtenaren op het ministerie, die vooral bezig zijn met de vraag hoe ze de kwaliteit van een school kunnen méten. Ik zie ook lichtpuntjes, leraren worden serieuzer genomen. Dat ik nu in de Onderwijsraad zit als eerste docent ooit is daar een voorbeeld van.”

Komend jaar sta je niet voor de klas, maar ga je je bezighouden met het opstellen van een beroepsstandaard voor leraren. Waarom?
“Als je als beroepsgroep samen afspreekt wat je een goede leraar vindt, wapen je je tegen kritiek van buiten. Als je zelf niet voor een professionele standaard zorgt, gaan anderen voor jou bepalen wat je moet doen. Dat is precies wat er in het onderwijs is gebeurd.”

  • © Maartje Geels.
  • Leerlingen moeten een persoonlijk gesprek met mij kunnen voeren. Maar ik ben niet hun vriend

_________

Bart Ongering: ‘Ik wil ze opvoeden tot aardige mensen’
_________

Bart Ongering is blij dat de vakantie achter de rug is. Volgend jaar vier weken?, schreef de leraar Engels begin augustus op Facebook. ‘Niet omdat ik jullie die zes weken niet gun, meer omdat ik jullie gewoon heel erg mis.’ Van de meeste van zijn mentorleerlingen weet hij wel waar ze deze zomer uithingen. In de groepschat hielden ze elkaar op de hoogte, sommigen stuurden een foto mee. ‘Meester Bart’, zoals zijn tienduizenden volgers op Facebook en Twitter hem kennen, is betrokken bij zijn leerlingen. De hippe, bevlogen meester met volle baard en tatoeages deelt regelmatig uitspraken van en verhalen over ze via sociale media.

Ben je close met je leerlingen?
“Met mijn mentorleerlingen heb ik veel contact. Ik weet wat hun doelen zijn, hoe hun thuissituatie is. Ik vind het belangrijk om te weten hoe het met ze gaat. Kinderen op mijn school zitten de eerste twee jaar in dezelfde klas met alle niveaus bij elkaar. Het is belangrijk dat ze ook in de zomer verbonden blijven.”

Hoe open ben je over je eigen leven?
“Ze hoeven niet te weten wat ik in de vakantie doe. Ik vind het belangrijk dat ze mij vertrouwen. Dat ze me zien als mens, niet alleen als docent. Ik vertel het eerlijk als ik mij een dag niet zo goed voel, omdat ik ook wil dat zij dat doen. Ze moeten een persoonlijk gesprek met mij kunnen voeren. Maar ik ben niet hun vriend. Bij binnenkomst in mijn lokaal geven ze mij een hand. Sommigen roepen dan: meester, boks! Maar zo’n relatie hebben wij niet.”

Wat staat er op je linkerarm?
“Het leven is een feest. Dat is een uitspraak van mijn moeder, ze is overleden toen ik nog jong was. Op mijn andere arm staat een zin uit een gedicht van mijn oom. Leerlingen vragen dit ook vaak, maar ik vertel het ze pas aan het eind van het jaar.”

Jouw Facebookpagina is meer dan 100.000 keer geliked. Vinden leerlingen je hip?
“Ze vinden wel dat ik weet wat er leeft onder leerlingen. Maar ik hoop dat ze me vooral waarderen om wie ik ben voor de klas. De kinderen zeggen vaak dat ik duidelijk ben en rust uitstraal. Dat vind ik belangrijk, dat heeft zijn weerslag op de leerlingen. Als je rust uitstraalt kopiëren ze dat.”

  • Mijn klas is een samenleving in het klein, een afspiegeling van de maatschappij

Hoe zou je jouw leerlingen omschrijven?
“Mondig, energiek, enthousiast. Stads, eerlijk, recht voor zijn raap. Ik krijg heel veel energie van ze.”

Ben je een rolmodel voor ze?
“Ik hoop eigenlijk dat ze hun eigen rolmodel zijn. Maar ik weet wel goed wat vmbo-leerlingen nodig hebben. Ik heb een nogal ongebruikelijk studiepad gevolgd en die bagage helpt me mijn leerlingen te begrijpen. Ik heb mavo gedaan en daarna mbo-detailhandel. Dat heb ik niet afgemaakt, net als een mbo-opleiding techniek. Ik kon helemaal niet omgaan met de vrijheid op het mbo, dat het niet uitmaakte of je kwam opdagen. Op mijn 21ste dacht ik: ik moet nu iets doen. Ik deed een capaciteitentest voor het hbo. Op advies van een oom – ook docent Engels – koos ik voor de lerarenopleiding.

Ik vind niet dat ik jaren heb weggegooid. Tegelijk zeg ik tegen mijn leerlingen: ik hoop wel dat jij voor het goede pad kiest, als je op zo’n punt komt. Ik had een goede achterban thuis van familie en vrienden, maar voor sommige kinderen is het slechte pad soms best dichtbij. Ik hoop dat ze dan zelf hun hoofd boven water proberen te houden, ook als de situatie er niet naar is.”

Wat hoop jij leerlingen mee te geven?
“Ik wil ze opvoeden en opleiden tot aardige mensen, die zichzelf kunnen uiten maar ook oog hebben voor wat de ander nodig heeft. Ik hoop dat ze hier hun talenten ontdekken, en dat ze met een fijn gevoel naar school gaan. Ik vind het belangrijk dat iedere leerling zich elke les even gezien of gehoord voelt.”

Je geeft les in de Bijlmer, in een wijk met veel gezinnen in achterstandssituaties. Is dat een bewuste keuze?
“Niet echt. Toen ik hier solliciteerde woonde ik in de wijk en wilde ik op de fiets naar mijn werk. Daarbij is dit een leuke, bijzondere school, het is heel fijn om hier les te geven. Ik heb nooit het gevoel gehad: heftig, de Bijlmer. Wij zijn een gemengde school – al heb ik moeite met dat woordje.

Mijn klas is een samenleving in het klein, een afspiegeling van de maatschappij.”

Je bent wel erg begaan met kinderen die het moeilijk hebben. Pas nog vroeg je op je Facebookpagina aandacht voor leerlingen die met de hakken over de sloot hun examens hebben gehaald, omdat ze geen eigen slaapkamer hebben thuis, op zichzelf zijn aangewezen of faalangst hebben.
“Dat is zo. Al kan ik het steeds beter loslaten. Toen ik net voor de klas stond vond ik dat moeilijk. Dan vroeg ik me af hoe zo’n leerling hier met een glimlach kon rondlopen terwijl er thuis van alles aan de hand was. Dan kwam ik met hoofdpijn thuis. Maar daar is een kind niet mee geholpen.

“Met mijn columns in Trouw wil ik laten zien wat er anno 2015 leeft onder leerlingen. Wij zijn geneigd om van kinderen in een klas allemaal hetzelfde te verwachten – dat ze hun boeken meenemen, goede cijfers halen – terwijl ze uit heel verschillende thuissituaties komen.”

Weten jouw leerlingen dat je over hen schrijft?
“Ja dat weten ze, al lezen ze echt niet allemaal mijn stukjes. Ik vraag altijd toestemming voor ik een uitspraak deel. Dat vinden ze eigenlijk altijd goed, sommigen vragen zelfs of hun Snapchat-naam erbij mag, of een foto, of hun Instagram-account. Maar daar begin ik niet aan. Ik anonimiseer mijn leerlingen altijd. De situaties zijn echt, en een leerling mag zichzelf teruglezen in een column, maar hun overbuurman hoeft dat niet te weten.”

Bart Ongering (1981) is sinds 2008 leraar Engels op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam Zuidoost. Een paar jaar geleden begon hij met het verzamelen van uitspraken van zijn leerlingen. Eerst in een schriftje, sinds eind 2012 deelt hij ze als ‘Meester Bart’ op sociale media. Uitspraken als ‘Meester, heeft u zalf? Mijn gezicht is krokant’ en ‘Ik ben allergisch voor lesstof’ werden in 2013 gebundeld door uitgeverij Lebowski onder de titel ‘Ik hoef niet op te letten, ik weet alles al’. Volgende week verschijnt zijn eerste column in de Verdieping.

René Kneyber (1978) is sinds 2002 wiskundeleraar op het vmbo van het Oosterlicht College in Nieuwegein. Daarnaast is hij lid van de Onderwijsraad. Met geschiedenisleraar Jelmer Evers schreef hij in 2013 ‘Het Alternatief – Weg met de afrekencultuur in het onderwijs’, onlangs verscheen de internationale editie ‘Flip the System’. Eerder schreef Kneyber onder meer ‘Orde houden in het vmbo'(2009) en ‘De ordegenerator’ (2012). Vandaag schrijft hij zijn eerste column voor Trouw.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s