Tag Archives: Mediawijsheid

Er is lef nodig voor een beter toekomst van het MBO

Source: Opinie – PAROOL

‘Er is lef nodig voor een beter mbo’

Het ROC van Amsterdam en bedrijven werken samen in een werkplaats voor leerlingen.© Mats van Soolingen

Opinie – De hardnekkige kloof tussen mbo-opleiding en arbeidsmarkt kan alleen van onderop worden gedicht, betogen Marieke Gervers en Marc van der Meer.

Door: Marieke Gervers en Marc van der Meer – 5 oktober 2017, 11:59

Begin deze week kwamen ruim 200 betrokkenen uit het Amsterdamse beroepsonderwijs en ­vertegenwoordigers van het ­bedrijfsleven bijeen in Pakhuis de Zwijger om de toekomst van het mbo te bespreken.
Een toekomst waarin innovatie centraal moet staan en waarin politici, bestuurders en docenten steeds dezelfde vraag dienen te beantwoorden: hoe zorgen we ervoor dat studenten daadwerkelijk aan de slag kunnen, nadat ze hun opleiding hebben afgerond?

Een antwoord daarop vinden is niet eenvoudig. De arbeidsmarkt verandert in een steeds hoger tempo. En scholen kunnen dat tempo met al hun regels, voorschriften en processen simpelweg niet bijbenen.

Massaal afhaken
Het mbo is de afgelopen jaren dan ook regel­matig weggezet als probleemgeval. Omdat het niveau van de afgestudeerden niet altijd aansluit op wat er op de werkvloer wordt gevraagd. Of omdat mbo-studenten die de stap zetten naar het hoger beroepsonderwijs massaal af­haken, omdat die opleidingen onvoldoende aansluiten op hun vaardigheden en behoeftes.

Zo komt het ideaal van blijven leren na de opleiding in deze groep het minst voor, terwijl juist zij dat zo hard nodig hebben. Veel mbo’ers gaan immers aan de slag in sectoren waar sprake is van verregaande flexibilisering.

Marieke Gervers, Practor creatief vak­manschap aan het MBO College Zuid van ROC van Amsterdam. © –

Om het tij voor het mbo-onderwijs te keren, moet op landelijk niveau het besef doordringen dat onderwijsvernieuwing geen zaak van centrale sturing is. Er is vertrouwen en lef nodig om meer financiële ruimte en verantwoordelijkheid te leggen bij de onderwijsprofessionals zelf.

Zij weten tenslotte het beste wat er onder hun studenten leeft en wat er speelt op de werkvloer van bedrijven.

Geef ze de kans om aan hun eigen ontwikkeling te werken en zich in het snel transformerende werkveld te verdiepen. Dat betaalt zich uit: door de inzichten die dit oplevert, zijn ze in staat om hun opleidingen beter vorm te geven.

De juiste ingang
Daarnaast is het zaak om de arbeidsmarkt al in een veel vroeger stadium bij de opleidingen te betrekken. Er is veel animo bij innovatieve bedrijven en zelfstandige professionals om een bijdrage te leveren aan een betere aansluiting op het mbo-onderwijs.

Marc van der Meer, Bijzonder hoogleraar ­onderwijsarbeidsmarkt in Tilburg. © –

Ze weten alleen de juiste ingang bij de onderwijsinstituten niet te vinden: het ontbreekt aan effectieve werkvormen of men spreekt elkaars taal niet. Dat is een gemiste kans voor beide partijen, maar vooral voor de toekomstige vakmensen.
Het is daarom tijd voor het mbo om de ramen en deuren wijder open te zetten en actief het werkveld in te gaan. Om experimenten van ­onderop te stimuleren, samenwerking tussen scholen te omarmen, alumni intensiever te ­betrekken bij het onderwijs en om van elkaars fouten en successen te leren.

Dit is de structuur die langzaamaan in Amsterdam is ontstaan na de introductie van de zogeheten mbo-agenda, nu zo’n twee jaar geleden. De gemeente durft de teugels te laten ­vieren en docenten krijgen de ruimte om hun eigen professionele profiel te versterken.

Het is tijd voor het mbo om de ramen en deuren wijder open te zetten en het werkveld in te gaan

Aan scholen de taak om samen te werken en kennis te delen. Bijvoorbeeld met de nieuwe ‘practoraten’ voor creatief vakmanschap en mediawijsheid.
Platformen voor nieuwe beroepspraktijken die nadrukkelijk met én voor de stad werken. Deze nieuwe structuur heeft impact, al valt er – zoals altijd – nog genoeg te verbeteren.

Wat ons betreft kan deze Amsterdamse werkwijze als inspiratie dienen voor de toekomst van het mbo-onderwijs in andere regio’s. Natuurlijk heeft elke sector en regio eigen kenmerken en behoeftes.

Maar de werkvormen die nodig zijn om de kloof tussen opleiding en arbeidsmarkt te verkleinen, komen van onderop en van opzij. Met een overheid die faciliteert en resultaten honoreert, docenten die verantwoordelijkheid krijgen en een arbeidsmarkt die zich manifesteert in de klas.

Advertisements

It Zucks! – De Groene Amsterdammer

Source: De Groene Amsterdammer

Essay Facebook wil de wereld verbeteren?

It Zucks!

Twee miljard mensen schenken blind hun persoonlijke gegevens aan Facebook, dat met de doorverkoop aan adverteerders inmiddels tientallen miljarden heeft vergaard. Mark Zuckerberg gaat op Alexander de Grote lijken, wenend omdat er geen werelden meer zijn om te veroveren.

door John Lanchester, beeld Milo – 27 september 2017

Small groene facebook groot binnen

Eind juni maakte Mark Zuckerberg bekend dat Facebook een nieuwe mijlpaal had bereikt: het netwerk had twee miljard actieve gebruikers per maand. Dat aantal betekent dat een maand eerder twee miljard verschillende mensen op Facebook hadden gezeten. Daarbij moet worden bedacht dat thefacebook – de oorspronkelijke naam – in 2004 exclusief voor Harvard-studenten werd gelanceerd. Geen menselijke onderneming, geen nieuwe technologie of dienst, is ooit zo snel en zo breed omarmd. De snelheid van deze adoptie overtreft die van het internet zelf, en helemaal die van oude technologieën als de televisie, cinema of radio.

Wat ook verbazingwekkend is, is dat naarmate Facebook groeide de afhankelijkheid van de gebruikers van het netwerk ook is toegenomen. De stijging van het aantal gebruikers is niet, zoals je misschien had kunnen verwachten, gepaard gegaan met een lager niveau van betrokkenheid. Méér betekent niet slechter – althans niet vanuit het perspectief van Facebook. Integendeel. In de inmiddels ver in het verleden liggende dagen van oktober 2012, toen Facebook de één miljard gebruikers bereikte, zat 55 procent daarvan iedere dag op Facebook. Nu er twee miljard gebruikers zijn, is dat 66 procent. De gebruikersbasis van het netwerk groeit met achttien procent per jaar – wat je onmogelijk zou achten voor een bedrijf dat al zo’n enorme omvang heeft.Facebooks grootste concurrent op het gebied van ingelogde gebruikers is YouTube, eigendom van zijn dodelijke rivaal Alphabet (de firma die voorheen bekend stond als Google), dat op de tweede plaats staat met 1,5 miljard maandelijkse gebruikers. Drie van de volgende vier grootste apps, of hoe je ze ook wilt noemen, zijn WhatsApp, Messenger en Instagram, met respectievelijk 1,2 miljard, 1,2 miljard en zevenhonderd miljoen gebruikers. Deze drie entiteiten hebben iets gemeen: ze zijn allemaal eigendom van Facebook. Geen wonder dat dit bedrijf het op vier na waardevolste ter wereld is, met een marktwaarde van 445 miljard dollar.

Het nieuws van Zuckerberg over de omvang van Facebook ging gepaard met een aankondiging die wel of niet belangrijk zal blijken te zijn. Hij zei dat het bedrijf zijn ‘mission statement’ aan het veranderen was – zijn versie van de kantelbare vroomheden waar het Amerikaanse bedrijfsleven dol op is. Het is nu Facebooks missie om ‘de wereld opener en verbondener te maken’. Een niet-Facebooker die dit leest zal zich waarschijnlijk afvragen: waarom? Verbondenheid wordt gepresenteerd als een doel op zichzelf, iets wat inherent en automatisch goed is. Maar is dat ook zo?

Flaubert was sceptisch over treinen, omdat hij (in de woorden van Julian Barnes) dacht dat ‘de spoorwegen het louter mogelijk zouden maken dat nóg meer mensen zich heen en weer bewegen, elkaar ontmoeten en stom zijn’. Je hoeft niet zo misantropisch als Flaubert te zijn om je af te vragen of iets soortgelijks niet geldt voor het verbinden van mensen via Facebook. Die gedachte, of iets soortgelijks, lijkt ook bij Zuckerberg te zijn opgekomen, want het nieuwe mission statement geeft een reden voor al deze verbondenheid. De nieuwe missie is nu ‘het aan de mensen geven van de macht om een gemeenschap op te bouwen en de wereld dichter bijeen te brengen’.

Hm. Het mission statement van Alphabet, ‘het organiseren van ’s werelds informatie, en het universeel toegankelijk en tot nut maken ervan’ ging gepaard met de vermaning ‘Don’t be evil’, die tot veel spot heeft geleid: Steve Jobs noemde het ‘bullshit’, wat zonder meer waar is, alleen is het niet louter bullshit. Het loont om ‘Wees niet slecht’ te zeggen, juist omdat veel bedrijven dat wél zijn. Dit is vooral een probleem in de wereld van het internet. Internetbedrijven werken in een domein dat door klanten en toezichthouders niet goed wordt begrepen (als het al wordt begrepen). Wat zij precies doen, koosjer of niet, is per definitie nieuw. Op dit niet goed afgebakende terrein van nieuwigheid, onwetendheid en gebrek aan regelgeving kan het geen kwaad werknemers eraan te herinneren dat ze ‘niet slecht mogen zijn’, omdat – als het bedrijf succes heeft en groeit – zich meer dan genoeg kansen zullen aandienen óm slecht te zijn.

***

Google en Facebook hebben van het begin af aan deze koers gevolgd, maar hun modus operandi verschilt enorm. Een internetondernemer die ik ken heeft met beide bedrijven te maken gehad. ‘YouTube weet dat zich op zijn netwerk heel veel vuile zaakjes afspelen en wil graag proberen daar wat aan te doen’, zei hij tegen me. Ik vroeg hem wat hij bedoelde met ‘vuile zaakjes’. ‘Terroristische en extremistische informatie, gestolen informatie, copyrightschendingen. Dat soort dingen. Facebook kan het gewoon niets schelen. Als je in een ruimte met ze verkeert, kun je dat voelen. Ze zijn’ – hij nam even een pauze om het juiste woord te vinden – ‘scuzzy’.

Dat klinkt wellicht hardvochtig. Er zijn echter ethische problemen en dubbelzinnigheden rond Facebook geweest vanaf het moment van zijn ontstaan. We weten dat, omdat de schepper van het netwerk destijds live aan het bloggen was. Het verhaal is zoals het is verteld in de film van Aaron Sorkin over de geboorte van Facebook, The Social Network. Tijdens zijn eerste jaar op Harvard liep Zuckerberg een blauwtje. Wie zou daar niet op reageren door een website te bouwen waarop de foto’s van medestudenten naast elkaar staan, zodat de gebruikers van de site kunnen stemmen op degene die zij het aantrekkelijkst vinden? De site heette Facemash. In de woorden van de grote man zelf, destijds: ‘Ik ben een beetje dronken, daar zal ik niet over liegen. Wat maakt het uit als het nog geen tien uur is, op een dinsdagavond? Wat? Ik heb het facebook van het Kirkland-dormitorium geopend op mijn desktop, en sommige van die mensen hebben behoorlijk vreselijke foto’s. Ik zou bijna een paar van die gezichten naast foto’s van boerderijdieren willen zetten en mensen laten stemmen over wie het aantrekkelijkst is. Laat het hacken maar beginnen…’

Zoals Tim Wu uitlegt in zijn energieke en oorspronkelijke nieuwe boek, The Attention Merchants, verwees een ‘facebook’ in de zin waarin Zuckerberg het hier gebruikt ‘van oudsher naar een fysiek boekje dat op Amerikaanse universiteiten werd vervaardigd om socialisering te bevorderen, op de manier waarop stickers met “Hallo, mijn naam is …” dat doen op grote bijeenkomsten en manifestaties; de pagina’s bestonden uit grote hoeveelheden portretjes met de bijbehorende namen’. Harvard werkte al aan een elektronische versie van de facebooks van de diverse studentenhuizen op de campus. Het destijds toonaangevende sociale netwerk Friendster had drie miljoen gebruikers. Het idee om deze twee dingen samen te brengen was niet helemaal nieuw, maar Zuckerberg formuleerde het destijds zo: ‘Ik denk dat het nogal dom is dat het de universiteit een paar jaar kost om dit voor elkaar te krijgen. Ik kan dat beter dan zij, en ik krijg het in een week voor elkaar.’

Wu betoogt dat het ‘vangen’ en doorverkopen van aandacht het fundamentele bedrijfsmodel is geweest van een groot aantal moderne sectoren – van het drukken van reclameposters in het Parijs van eind negentiende eeuw, via de uitvinding van dagbladen voor de massamarkt die hun geld niet verdienden met hun oplage maar door de verkoop van advertenties, tot de moderne bedrijvigheid van reclamebureaus en door reclame gefinancierde televisie. Facebook staat dus in een lange traditie, hoewel het wel eens het puurste voorbeeld ooit zou kunnen zijn van een bedrijf waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het ‘vangen’ en doorverkopen van aandacht. Met de schepping van Facebook was heel weinig ‘nieuw denken’ gemoeid. Wu merkt op dat Facebook ‘een bedrijf is dat extreem weinig innovatie nodig had voor het boeken van succes’.

De missie om te ‘verbinden’ blijkt in de praktijk te betekenen: je verbinden met mensen die het toch al met je eens zijn

Wat Zuckerberg in plaats van oorspronkelijkheid had, was het vermogen om zaken voor elkaar te krijgen, evenals een duidelijk beeld van wat er mogelijk was. Het cruciale aan internet-start-ups is hun vermogen om plannen uit te voeren en zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Het is Zuckerbergs vaardigheid om dit te bewerkstelligen die zijn bedrijf heeft gebracht waar het vandaag de dag is. De twee grote zusterbedrijven die onder de vleugels van Facebook opereren, Instagram en WhatsApp, werden respectievelijk gekocht voor één miljard en negentien miljard dollar, op een moment dat zij nog geen inkomsten genereerden. Geen bankier of analist of andere wijze man of vrouw had Zuckerberg kunnen vertellen wat deze aanwinsten waard waren; niemand wist het beter dan hij. Hij kon zien welke wending de ontwikkelingen zouden nemen en ertoe bijdragen dat dit ook daadwerkelijk gebeurde. Zijn talent op dat terrein bleek honderden miljarden dollars waard.

Het briljante portret van Zuckerberg dat Jesse Eisenberg schetst in The Social Network is misleidend, zoals Antonio García Martínez, een voormalige Facebook-manager, betoogt in Chaos Monkeys, zijn onderhoudend sarcastische boek over zijn tijd bij het bedrijf. De Zuckerberg uit de film is een zeer geloofwaardig personage, een computergenie dat zich ergens in het autistisch spectrum bevindt, met minimale tot niet-bestaande sociale vaardigheden. In het echte leven heeft Zuckerberg twee studies gedaan, computerwetenschappen en – dit is wat de meeste mensen vaak vergeten – psychologie. Mensen met een stoornis in het autistisch spectrum hebben doorgaans een beperkt begrip van de manier waarop de geesten van andere mensen werken, maar dat geldt echt niet voor Zuckerberg. Hij is zich juist heel goed bewust van de manier waarop de geesten van mensen werken, en in het bijzonder van de sociale dynamiek van populariteit en status.

Small groene facebook koning

De aanvankelijke lancering van Facebook beperkte zich tot mensen met een e-mailadres aan Harvard University; de bedoeling was om de toegang tot de site exclusief te doen lijken. Daarna werd het netwerk uitgebreid naar andere elite-universiteiten in de VS. Toen het in Engeland werd gelanceerd, beperkte het zich aanvankelijk tot de universiteiten van Oxford en Cambridge en de London School of Economics. Het idee was mensen te laten zien wat andere mensen zoals zij aan het doen waren, hun elkaar hun sociale netwerken te tonen, hen dingen met elkaar te laten vergelijken, hen te laten opscheppen over iets, hen zich te laten overgeven aan ieder moment van verlangen en jaloezie, en hen met hun neuzen tegen het raam van andermans leven gedrukt te houden.

***

Als mensen alleen maar naar andere mensen willen kijken, zodat ze zichzelf met hen kunnen vergelijken en kunnen na-apen wat ze willen – als dat de definitieve, diepste waarheid is over de mens en zijn beweegredenen –, dan hoeft Facebook zich niet al te veel aan te trekken van het welbevinden van de mensheid, omdat alle slechte dingen die ons overkomen dingen zijn die we onszelf aandoen. Ondanks alle opwekkende taal in het mission statement is Facebook een bedrijf waarvan de essentiële premisse misantropisch is. Het is misschien om die reden dat in de hele geschiedenis van Facebook iets venijnigs schuilt. De opzienbarende bewijzen daarvan lijken zich geopenbaard te hebben in de vorm van incidenten als het live-streamen van verkrachtingen, zelfmoorden, moorden en moorden op politieagenten. Dit is echter juist een van de gebieden waarop Facebook relatief weinig blaam lijkt te treffen. Mensen live-streamen dit soort vreselijke dingen nu eenmaal via Facebook, omdat daar het grootste publiek te vinden is; als Snapchat of Periscope groter was, zouden ze het dáár doen.

Maar op veel andere gebieden treft de site wel degelijk blaam. De bekendste recente kritiek op het bedrijf heeft te maken met de rol die het heeft gespeeld bij de verkiezing van Donald Trump. Hier gaan twee componenten achter schuil, waarvan er één voortvloeit uit de aard van de site – een inherente neiging om zijn gebruikers in gelijkgestemde groepen op te delen. De missie om te ‘verbinden’ blijkt in de praktijk te betekenen: je verbinden met mensen die het toch al met je eens zijn. We kunnen niet bewijzen hoe gevaarlijk deze filter bubbles voor onze samenlevingen zijn, maar het lijkt duidelijk dat ze een serieuze impact hebben op onze steeds gefragmenteerder wordende gemeenschap. Ons concept van het ‘wij’ wordt steeds beperkter.

Deze fragmentatie heeft de omstandigheden geschapen voor de tweede component van de schuld die Facebook draagt voor de Anglo-Amerikaanse politieke rampen van vorig jaar. De paraplutermen voor deze ontwikkelingen zijn fake news en post-truth, mogelijk gemaakt door onze terugtrekking uit de algemene agora van het publieke debat in afzonderlijke ideologische bunkers. In de openbaarheid kan fake news worden bediscussieerd en aan de kaak worden gesteld; op Facebook zul je, als je geen lid bent van een bepaalde gemeenschap die leugens krijgt opgedist, waarschijnlijk nooit te weten komen dat ze überhaupt in omloop zijn. Het is hierbij cruciaal dat Facebook er geen financieel belang bij heeft de waarheid te vertellen. Geen bedrijf is een beter voorbeeld van het internet-dictum dat als het product gratis is jijzélf het product bent.

De klanten van Facebook zijn niet de mensen die op de site zitten: de klanten zijn de adverteerders die het netwerk gebruiken en die blij zijn met het vermogen van dat netwerk om advertenties gericht aan bepaalde (ontvankelijke) publieksgroepen te sturen. Wat maakt het Facebook uit of het nieuws dat via de site wordt verspreid nep is? Het bedrijf is geïnteresseerd in het zo goed mogelijk kunnen richten van advertenties, niet in de inhoud. Dit is waarschijnlijk een van de redenen voor de verandering van het mission statement. Als jouw enige interesse het verbinden van mensen is, waarom zou je je dan druk maken om onwaarheden? De nieuwe ambitie om ‘gemeenschappen te bouwen’ doet het lijken alsof Facebook meer belangstelling heeft voor de gevolgen van de verbindingen die het bevordert.

Fake news is niet, zoals Facebook ook heeft erkend, de enige manier waarop van het netwerk gebruik werd gemaakt om de uitkomst van de presidentsverkiezingen van 2016 te beïnvloeden. Op 6 januari 2017 heeft de directeur van de nationale veiligheidsdienst een rapport uitgegeven waarin stond dat de Russen een desinformatiecampagne op het internet voerden om Hillary Clinton te schaden en Trump te helpen. Eind april was Facebook eindelijk zo ver om dit (tegen die tijd) alom bekende feit toe te geven, in een interessant document dat door de interne veiligheidsdienst werd uitgegeven. ‘Fake news’, zo wordt daarin betoogd, is een niet bijzonder behulpzame en veel te brede term, want desinformatie wordt feitelijk op verschillende manieren verspreid: ‘Informatie– (of beïnvloedings-)operaties – Acties van overheden of georganiseerde, niet-statelijke actoren om het binnen- of buitenlandse politieke sentiment te beïnvloeden; Fake news – Nieuwsberichten die de indruk wekken feitelijk te zijn, maar opzettelijke fouten bevatten met de bedoeling mensen kwaad te maken, kijkers te trekken of bedrog te plegen; Valse versterkers – Gecoördineerde activiteiten vanaf niet-authentieke accounts, met de bedoeling de politieke discussie te manipuleren (bijvoorbeeld door specifieke partijen te ontmoedigen aan de discussie deel te nemen, of door sensationele geluiden boven andere geluiden te versterken); Desinformatie – Onnauwkeurige of gemanipuleerde informatie/inhoud die opzettelijk wordt verspreid. Hiertoe kan fake news behoren, maar het kan ook om subtielere methoden gaan, zoals false flag operations, waarbij onnauwkeurige citaten of verhalen aan onwetende tussenpersonen worden “gevoerd”, of waarbij verdraaide of misleidende informatie bewust wordt versterkt.’

Het bedrijf belooft dit probleem of deze reeks problemen net zo serieus te zullen aanpakken als het met andere problemen doet, zoals malware, het hacken van accounts en spam. We zullen zien. Het fake news van de één is de waarheid van de ander, en Facebook werkt er hard aan om de verantwoordelijkheid voor de inhoud op de site uit de weg te gaan – afgezien van seksuele inhoud, want daar is het bedrijf superstreng in, er is nauwelijks een tepel te zien. Het is een bizarre reeks prioriteiten, die louter zinvol zijn in een Amerikaanse context, waar iedere suggestie van expliciete seksualiteit de site onmiddellijk de reputatie zou geven ongezond te zijn. Foto’s van vrouwen die de borst geven, zijn verboden en worden snel verwijderd. Leugens en propaganda zijn daarentegen wél oké.

Foto’s van vrouwen die de borst geven, zijn verboden en worden snel verwijderd. Leugens en propaganda zijn echter wél oké

De sleutel tot het begrip van dit alles is nadenken over wat adverteerders willen: zij willen niet in beeld komen naast afbeeldingen van borsten, omdat dat hun merk zou kunnen schaden, maar zij vinden het niet erg naast leugens te verschijnen, omdat die leugens hen kunnen helpen de klanten te vinden die zij trachten te bereiken. In Move Fast and Break Things, zijn polemiek tegen de ‘robber barons’ van het digitale tijdperk, verwijst Jonathan Taplin naar een analyse op Buzzfeed: ‘In de laatste drie maanden van de Amerikaanse campagne voor de presidentsverkiezingen genereerden de best presterende fake verkiezingsnieuwsverhalen op Facebook meer betrokkenheid dan de topverhalen van grote nieuwsproducenten als The New York Times, The Washington Post, Huffington Post, NBC News en andere.’ Dit klinkt niet als een probleem waaraan Facebook snel iets zal willen doen.

Het is een feit dat frauduleuze of gestolen inhoud welig tiert op Facebook, en dat het bedrijf dat niet echt erg vindt. Een groot deel van de video’s op de site is gestolen van de mensen die ze hebben gemaakt. Een verhelderende YouTube-video van Kurzgesagt, een Duits bedrijf dat korte verklarende filmpjes van hoge kwaliteit maakt, signaleert dat in 2015 725 van de top-duizend van best bekeken video’s op Facebook gestolen waren. Dit is een ander terrein waarop de belangen van Facebook strijdig zijn met die van de samenleving. We kunnen er met z’n allen belang bij hebben om creatief en verbeeldingsvol werk in veel verschillende vormen en op veel verschillende platforms te ondersteunen. Dat geldt echter niet voor Facebook, dat slechts twee prioriteiten heeft, zoals Martínez uitlegt in Chaos Monkeys: groei en het te gelde maken van zijn activiteiten. Het bedrijf kan het eenvoudigweg niets schelen waar de inhoud vandaan komt. Pas nu begint het zich iets aan te trekken van de indruk dat een groot deel van de inhoud frauduleus is, omdat – als die indruk algemeen zou worden – ze het vertrouwen, en dus de hoeveelheid tijd, zou kunnen beïnvloeden die mensen aan de site spenderen.

Medium groene facebook letters

Zuckerberg heeft zich zelf ook over deze kwestie uitgesproken, in een Facebook-post waarin hij de vraag behandelt van ‘Facebook en de verkiezingen’. Na een zekere hoeveelheid boilerplate bullshit (‘ons doel is om iedereen een stem te geven. We geloven diepgaand in mensen’), komt hij eindelijk ter zake. ‘Van alle inhoud die mensen op Facebook zien is ruim 99 procent authentiek. Slechts een zeer kleine hoeveelheid bestaat uit fake news en hoaxes.’ Meer dan één Facebook-gebruiker heeft erop gewezen dat Zuckerbergs post over authenticiteit in de eigen news feed naast fake news stond.

***

Een neutrale waarnemer zou zich kunnen afvragen of de opstelling van Facebook jegens de makers van inhoud vol te houden is. Facebook heeft duidelijk inhoud nodig, want dat is waar de site uit bestaat: inhoud die door andere mensen is gecreëerd. Het is alleen zo dat Facebook niet zo graag ziet dat derden geld verdienen aan die inhoud. In de loop van de tijd is deze opstelling uitermate destructief gebleken voor de creatieve en de media-industrie. Als de contentproviders uiteindelijk allemaal failliet gaan, hoeft dat niet eens zo’n probleem te zijn. Er zijn op dit moment grote hoeveelheden vrijwillige providers: iedereen op Facebook werkt in zekere zin voor het netwerk, en voegt waarde toe aan het bedrijf. In 2014 voerde The New York Times een berekening uit waaruit bleek dat de mensheid gezamenlijk 39.757 jaar op de site doorbracht, iedere dag weer. Jonathan Taplin wijst erop dat dit ‘bijna vijftien miljoen jaar gratis arbeid per jaar’ is. En dat was nog in de tijd dat Facebook slechts 1,23 miljard gebruikers had!

Taplin heeft op de universiteit en in de filmindustrie gewerkt. De reden dat hij zo’n uitgesproken mening heeft over deze vraagstukken is dat hij in de muziekindustrie is begonnen, als manager van The Band, en uit de eerste hand heeft gezien hoe de sector werd vernietigd door het internet. Wat in 1999 nog een bedrijfstak was van twintig miljard dollar was vijftien jaar later een bedrijfstak van slechts zeven miljard dollar. Hij heeft gezien hoe artiesten die voorheen goed van hun muziek konden leven aan lager wal zijn geraakt. Dat gebeurde niet doordat mensen zijn opgehouden naar muziek te luisteren, maar omdat muziek iets is geworden waarvan mensen denken dat het gratis is. YouTube is de grootste muziekbron ter wereld, waar jaarlijks miljarden tracks worden beluisterd, maar in 2015 hielden artiesten er minder aan over dan aan hun vinylverkopen. Nee, niet cd’s en platen in het algemeen – louter vinyl.

Iets soortgelijks heeft zich voorgedaan in de wereld van de journalistiek. Facebook is in essentie een reclamebedrijf dat onverschillig staat tegenover de inhoud op zijn site. Hier is een versie van de Wet van Gresham aan het werk, waarin fake news, dat vaker wordt aangeklikt en gratis te produceren is, het echte nieuws verdrijft. Dat echte nieuws vertelt mensen vaak dingen die ze niet willen horen, en is duur om te produceren. Bovendien gebruikt Facebook een uitgebreid arsenaal van trucs om het verkeer naar zijn site te bevorderen, evenals de inkomsten die worden gegenereerd dankzij gerichte advertenties. De news feed stuurt berichten jouw kant op, niet op basis van je interesses, maar op basis van de vraag hoe er zo veel mogelijk reclame-inkomsten uit jou kunnen worden geperst. In september 2016 zei Alan Rusbridger, de voormalige hoofdredacteur van The Guardian, op een conferentie van The Financial Times dat Facebook dat jaar ‘27 miljoen dollar’ aan verwachte reclame-inkomsten van de krant had opgeslorpt.

Dit raakt aan de kern van de vraag wat Facebook is en wat Facebook doet. Ondanks al het gepraat over het verbinden van mensen, het bouwen van gemeenschappen en het geloof in mensen is Facebook een reclamebedrijf. Martínez komt met het duidelijkste verhaal over hoe dat heeft kunnen gebeuren en hoe het reclame maken op Facebook in zijn werk gaat. In de beginjaren van Facebook was Zuckerberg veel meer geïnteresseerd in de groei van zijn bedrijf dan in het te gelde maken van de activiteiten ervan. Dat veranderde toen Facebook bij de beursgang op zoek ging naar het grote geld. Voor iedere start-up is dat een keerpunt: het is het punt waarop het nominale geld van een bedrijf dat nog in de kinderschoenen staat, verandert in het echte geld van een beursgenoteerd bedrijf.

Toen de tijd voor de beursgang was gekomen, moest Facebook veranderen van een bedrijf met een verbazingwekkende groei in een bedrijf dat verbazingwekkend veel geld aan het verdienen was. Het verdiende al wel wat geld, louter dankzij zijn omvang – zoals Martínez opmerkt ‘is een miljard maal welk bedrag dan ook nog steeds een enorm bedrag’ –, maar niet genoeg om een werkelijk spectaculaire waardering bij de beursgang te kunnen garanderen. Het was in dit stadium dat de vraag hoe de activiteiten van Facebook te gelde konden worden gemaakt de volle aandacht van Zuckerberg kreeg. Het is interessant, en het siert hem ook, dat hij daar niet veel eerder de nadruk op had gelegd – misschien omdat hij niet bijzonder in geld als zodanig geïnteresseerd is. Maar hij houdt er wél van om te winnen.

De oplossing was de grote hoeveelheid informatie die Facebook over zijn ‘gemeenschap’ heeft aan te wenden om adverteerders de mogelijkheid te geven reclame specifieker op bepaalde gebruikers te richten dan ooit tevoren, in welk medium dan ook. Martínez: ‘Die informatie kan demografisch van aard zijn (als het bijvoorbeeld gaat om 30- tot 40-jarige vrouwen), geografisch (als het gaat om mensen die binnen een bepaalde straal van iets wonen), of zelfs gebaseerd zijn op de gegevens uit je Facebook-profiel (heb je kinderen; dat wil zeggen zit je in het moedersegment?).’

In 2014 bracht de mensheid gezamenlijk 39.757 jaar door op de site, iedere dag weer. Dit is ‘bijna vijftien miljoen jaar gratis arbeid per jaar’

Taplin maakt hetzelfde punt: ‘Als ik vrouwen wil bereiken in de leeftijdscategorie van 25 tot 30 jaar, in postcodegebied 37206, die van countrymuziek houden en bourbon drinken, kan Facebook dat voor mij doen. Bovendien kan Facebook ook vaak vrienden van deze vrouwen zo ver krijgen dat ze een “sponsored story” posten in de news feed van een specifieke consument, zodat het niet als een advertentie aanvoelt. Zoals Zuckerberg zei toen hij Facebook Ads introduceerde: “Niets oefent meer invloed uit op mensen dan een aanbeveling van een gewaardeerde vriend. Een vertrouwde verwijzing is de Heilige Graal van het adverteren.”’

Dat was het eerste deel van het proces van het te gelde maken van de activiteiten van Facebook, toen het zijn gigantische omvang als een geldmachine ging gebruiken. Het bedrijf bood adverteerders een ongekend nauwkeurig instrument aan waarmee ze hun advertenties op specifieke consumenten konden richten. (Ook specifieke segmenten kiezers kunnen met zeer veel precisie worden bestookt. Een voorbeeld uit 2016 was een anti-Clinton-advertentie waarin een beruchte uitspraak van haar uit 1996 werd herhaald over ‘super-predators’. De advertentie werd aan Afrikaans-Amerikaanse kiezers aangeboden in gebieden waar de Republikeinen, met succes naar het bleek, de Democratische stem omlaag probeerden te krijgen. Niemand anders kreeg die advertenties te zien.)

***

De tweede grote verandering op dit vlak deed zich voor in 2012, toen het internetverkeer zich van desktopcomputers begon te verplaatsen naar mobiele apparaten. Deze verandering was een potentiële ramp voor alle bedrijven die afhankelijk waren van internetadvertenties, omdat mensen niet zo dol zijn op mobiele advertenties, en er veel minder snel op klikken dan op desktopadvertenties. Met andere woorden: hoewel het algemene internetverkeer in rap tempo toenam, omdat de groei afkomstig was van mobiele apparaten, werd het verkeer voor adverteerders naar verhouding steeds minder waardevol. Als deze trend zich zou doorzetten, zouden alle internetbedrijven die afhankelijk waren van het feit dat mensen op links klikken – bijna alle internetbedrijven, maar vooral giganten als Google en Facebook – veel minder geld waard zijn.

Facebook heeft het probleem opgelost door middel van een techniek die onboarding wordt genoemd. Zoals Martínez het uitlegt, kun je dit het best begrijpen door een vergelijking te maken met onze diverse soorten namen en adressen: ‘Als Bed, Bath and Beyond bijvoorbeeld mijn aandacht wil trekken met een van zijn prachtige kortingscoupons van 20 procent richt het bedrijf zich tot: Antonio García Martínez, 1 Clarence Place #13, San Francisco, CA 94107. Als het mij wil bereiken op mijn mobiele apparaat, is mijn naam daar: 38400000-8cfo-11bd-b23e-10b96e40000d. Dat is mijn quasi-onveranderlijke “device ID”, die honderden malen per dag wordt omgeroepen op mobiele advertentiebeurzen. Op mijn laptop is mijn naam deze: 07J6yJPMB9juTowar.AWXGQnGPA1MCmThgb9wN4vLoUpg.BUUtWg.rg.FTN.0.AWUxZtUf.

Dit is de inhoud van de zogenoemde “Facebook re-targeting cookie”, die wordt gebruikt om gerichte advertenties op je af te vuren, gebaseerd op je mobiele browse-gedrag. Hoewel dit misschien niet meteen duidelijk is, staat iedere van deze “sleutels” in verband met een weelde aan persoonlijke gedragsgegevens, zoals iedere website die we hebben bezocht, dingen die we in fysieke winkels hebben gekocht, en iedere app die we hebben gebruikt en wat we daarmee gedaan hebben (…) Het belangrijkste wat er momenteel op marketinggebied gebeurt, wat tientallen miljarden dollars aan investeringen genereert en tot eindeloze plannenmakerij leidt bij bedrijven als Facebook, Google, Amazon en Apple, is hoe je deze verschillende reeksen namen aan elkaar kunt vastknopen en wie die links controleert. Dat is het.’

Facebook had al een enorme hoeveelheid informatie over mensen en hun sociale netwerken, en hun uitgesproken ‘likes’ en ‘dislikes’. Na het belang van het te gelde maken daarvan te hebben beseft, heeft het bedrijf aan de eigen gegevens een enorme nieuwe hoeveelheid data toegevoegd over ons offline-gedrag, in de echte wereld, verkregen via partnerschappen met grote bedrijven als Experian, die tientallen jaren lang consumentenaankopen hebben gevolgd via hun relaties met direct-marketingfirma’s, creditcardbedrijven en detailhandelsconcerns. Er lijkt geen handige, uit één woord bestaande omschrijving van dit soort firma’s te bestaan: ‘consumer credit agencies’ of iets soortgelijks is een redelijk goede samenvatting. Hun bereik is echter veel groter dan deze term suggereert. Experian zegt dat zijn data zijn gebaseerd op ruim 850 miljoen records en beweert informatie te hebben over 49,7 miljoen Britse volwassenen, verspreid over 25,2 miljoen huishoudens in 1,73 miljoen postcodegebieden. Deze firma’s weten alles wat er te weten is over jouw naam en adres, je inkomen en opleidingsniveau, je relatiestatus, plus overal waar je ooit met een creditcard of betaalpas hebt betaald. Facebook kan nu je hele identiteit achterhalen en construeren met behulp van de unieke ‘device identifier’ in je mobiele telefoon.

Dit was van cruciaal belang voor de nieuwe winstgevendheid van Facebook. Op mobiele telefoons geven mensen meestal de voorkeur aan het internet boven apps, die de informatie die zij verzamelen achter een omheining plaatsen en niet met andere bedrijven delen. Een game-app op je mobieltje weet waarschijnlijk niets anders over jou dan het level dat je in dat spelletje hebt bereikt. Maar omdat iedereen in de wereld op Facebook zit, kent dat bedrijf iedereens ‘device ID’. Daardoor was het bedrijf in staat een ad server in te richten, die veel nauwkeuriger afgestemde mobiele advertenties kan aanbieden dan wie dan ook, en dat ook nog eens op een elegantere manier en in een beter geïntegreerde vorm dan wie dan ook.

Medium groene facebook creditcard

Facebook kent dus je phone ID en kan die koppelen aan jouw Facebook ID. Deze informatie wordt vervolgens samengevoegd met de rest van je online-activiteiten: niet alleen iedere site die je ooit hebt bezocht, maar ook iedere klik die je ooit hebt gedaan – de Facebook-button volgt iedere Facebook-gebruiker, of ze er nu op klikken of niet. Omdat de Facebook-button min of meer overal op het internet voorkomt, betekent dit dat Facebook je overal ziet. Dankzij de partnerschappen met de ouderwetse creditcardfirma’s weet Facebook wie je bent, waar je woont, en alles wat je ooit met plastic in een offline-winkel in de echte wereld hebt gekocht. Al deze informatie wordt gebruikt voor een doel dat uiteindelijk heel banaal is: het verkopen van allerlei zaken via online-advertenties.

Deze advertenties werken op basis van twee modellen. In een ervan vragen adverteerders Facebook consumenten met een specifieke demografische achtergrond met gerichte reclame te ‘bestoken’ – onze dertigjarige, bourbon drinkende fan van countrymuziek, of onze Afrikaans-Amerikaan uit Philadelphia die niet bijster enthousiast was over Hillary. Maar Facebook biedt ook advertenties aan via een proces van online-veilingen, die zich in real time voordoen, iedere keer dat je op een website klikt. Omdat vrijwel iedere website die je ooit hebt bezocht een cookie in je browser achterlaat, vindt er elke keer dat je naar een nieuwe site gaat een veiling in real time plaats, in een miljoenste van een seconde, om uit te maken wat jouw ‘eyeballs’ waard zijn en welke advertenties aan je moeten worden opgediend, gebaseerd op je interesses, je inkomensniveau en wat niet al. Dit is de reden dat die advertenties de onprettige neiging hebben om je te achtervolgen, zodat wanneer je naar een nieuwe tv, een paar schoenen of een vakantiebestemming kijkt, ze maar blijven opduiken op iedere site die je weken later bezoekt. Dit was de manier waarop Facebook, door veel menskracht en middelen tegen het probleem aan te gooien, in staat was mobiele reclame van een mogelijke omzetramp tot een fantastische winstbron te maken.

Het bedrijf weet veel meer over je dan de meest opdringerige regering ooit over haar burgers heeft geweten

Wat dit inhoudt, is dat Facebook nu een surveillancefirma is geworden, nog méér dan dat het een reclamebedrijf is. Facebook is feitelijk de grootste op surveillance gebaseerde onderneming in de geschiedenis van de mensheid. Het bedrijf weet veel meer over je dan de meest opdringerige regering ooit over haar burgers heeft geweten. Het is verbazingwekkend dat mensen dit niet echt door hebben. Facebook houdt je in de gaten, en gebruikt wat het van jou en je gedrag weet vervolgens om advertenties te verkopen. Ik weet niet zeker of er ooit een grotere kloof heeft bestaan tussen wat een bedrijf zegt dat het doet – ‘verbinden’, ‘gemeenschappen bouwen’ – en de commerciële werkelijkheid.

Merk op dat de kennis van het bedrijf over zijn gebruikers niet louter wordt gebruikt om advertenties op ze af te vuren, maar ook om de stroom nieuws die naar ze toe vloeit vorm te geven. Omdat er zo veel inhoud op de site wordt gepost, zijn de algoritmen die worden gebruikt om die inhoud te filteren en richting te geven datgene wat bepaalt wat jij te zien krijgt: mensen denken dat hun news feed grotendeels te maken heeft met hun vrienden en interesses, en dat is ook min of meer zo, maar wél met het cruciale voorbehoud dat het hun vrienden en interesses zijn zoals die worden gemedieerd door de commerciële belangen van Facebook. Je ogen worden automatisch naar die plekken geleid die voor Facebook het waardevolst zijn.

***

Ik blijf me afvragen wat er zal gebeuren als dit muntje van 450 miljard dollar eindelijk valt. Uit Wu’s geschiedenis van de handelaren in aandacht blijkt dat er sprake is van een suggestief patroon: dat een bloei heel vaak wordt gevolgd door een terugval, en dat een periode van explosieve groei een publieke en soms wetgevende reactie uitlokt. Wu’s eerste voorbeeld zijn de draconische wetten tegen posters die zijn uitgevaardigd in het Parijs van begin twintigste eeuw. Wu zegt: ‘Als het product in kwestie de toegang tot de geesten van de mensen is, leidt het eeuwige streven naar groei ertoe dat een zekere terugslag, klein of groot, onvermijdelijk is.’ Wu noemt een minder belangrijke uitingsvorm van dit verschijnsel het ‘onttoveringseffect’.

Facebook lijkt hier kwetsbaar voor. Eén plek waar zich zoiets zou kunnen voordoen is in het kerngebied van zijn bedrijfsmodel – de advertentieverkoop. De advertenties die verkocht worden zijn ‘programmatisch’, dat wil zeggen dat ze worden bepaald door algoritmen die de klant aan de adverteerder koppelen en op die basis advertenties aanbieden, via doelgerichte acties en/of online-veilingen. Het probleem hiermee, vanuit het gezichtspunt van de adverteerder, is dat veel van de klikken op deze advertenties fake zijn. Er is hier sprake van een ‘mismatch’ van belangen. Facebook wil zo veel mogelijk klikken, omdat dat de manier is waarop het bedrijf geld verdient: als er op de advertenties wordt geklikt. Maar wat als die klikken niet echt zijn, maar geautomatiseerde klikken van fake accounts waar computerprogramma’s (‘bots’) achter zitten? Dat is een bekend probleem, waar vooral Google last van heeft, omdat het heel makkelijk is een site op te zetten waar geprogrammeerde advertenties welkom zijn, vervolgens een ‘bot’ opdracht te geven op die advertenties te klikken, en het geld in ontvangst te nemen dat daarna binnen komt rollen.

Het blad Ad Week schat dat de jaarlijkse kosten van dit soort klikfraude zeven miljard dollar zijn, ongeveer een zesde van de hele markt. Eén enkele frauduleuze site, Methbot, waarvan het bestaan eind vorig jaar wereldkundig werd gemaakt, gebruikt een netwerk van gehackte computers om iedere dag voor een bedrag van tussen de drie en vijf miljoen dollar aan frauduleuze klikken te genereren. De schattingen van het marktaandeel van het frauduleuze verkeer lopen uiteen; sommige schattingen houden het op zo’n vijftig procent, terwijl sommige website-eigenaren zeggen dat hun eigen gegevens duiden op maar liefst negentig procent.

Dit is geenszins louter een probleem van Facebook, maar het is niet moeilijk je voor te stellen hoe dit zou kunnen leiden tot een grote revolte tegen ‘ad tech’, zoals deze technologie algemeen bekend staat, van de kant van de bedrijven die ervoor betalen. Ik heb gehoord dat wetenschappers op dit terrein zeggen dat er sprake is van een vorm van groepsdenken in de wereld van de grote kopers van advertenties, die momenteel verantwoordelijk zijn voor het sluizen van grote delen van hun budgetten in de richting van Facebook. Daar zou wel eens verandering in kunnen komen. Veel van de meetmethoden van Facebook zelf zijn ook zodanig afgesteld dat ze de meetresultaten op hun voordeligst laten uitkomen. Een video telt als ‘bekeken’ als hij drie seconden loopt, zelfs als de gebruiker erlangs scrolt in de news feed en als het geluid uit staat. Veel Facebook-video’s met honderdduizenden ‘views’ zouden, als er zou worden geteld met de techniek die gebruikt wordt bij de televisie, in het geheel geen kijkers blijken te hebben.

Medium groene facebook wereld

Een revolte van de klanten zou kunnen samengaan met een reactie van toezichthouders en overheden. Google en Facebook beschikken over een feitelijk duopolie als het gaat om digitale advertenties. Die macht wordt steeds belangrijker nu steeds meer adverteerders naar de online-markt verhuizen. Intussen hebben deze twee bedrijven al grote delen van de dagbladsector vernietigd. Facebook heeft veel gedaan om de kwaliteit van het publieke debat te verlagen. Het bedrijf hoeft zich daar uit zakelijke overwegingen niet druk over te maken, maar het is het soort kwestie dat de aandacht van toezichthouders kan trekken.

Dat is niet de enige externe dreiging voor het duopolie van Google en Facebook. De Amerikaanse opstelling inzake de anti-trustwetgeving werd vormgegeven door Robert Bork, de rechter die door president Ronald Reagan werd voorgedragen voor het Hooggerechtshof, maar die de Senaat weigerde te benoemen. De meest invloedrijke stellingname van Bork was die op het terrein van het mededingingsrecht. Hij formuleerde de doctrine dat de enige belangrijke vorm van handelen die tegen het mededingingsrecht indruist de prijzen betreft die door consumenten betaald worden. Zijn idee was dat als de prijzen daalden de markten hun werk deden, en er dus geen vragen over monopolies hoefden te worden gesteld. Deze filosofie is nog steeds maatgevend voor de opstelling van de Amerikaanse toezichthouders en het is de reden dat Amazon bijvoorbeeld met rust is gelaten, ondanks de overduidelijke monopoliepositie die het bedrijf inneemt in de wereld van de online-detailhandel, met name op het gebied van boeken.

De grote internetbedrijven lijken op grond hiervan onkwetsbaar, althans totdat je gaat nadenken over de kwestie van de geïndividualiseerde prijzen. Het grote dataspoor dat we allemaal achter ons laten als we ons over het internet bewegen, wordt steeds meer gebruikt om ons te bestoken met prijzen die heel anders in elkaar steken dan de prijskaartjes die aan goederen in een winkel vastzitten. Ze zijn namelijk dynamisch, en gaan op en neer al naar gelang ons vermeende vermogen om te betalen. Vier Spaanse onderzoekers hebben dit verschijnsel bestudeerd door geautomatiseerde personages te creëren, die zich in het ene geval als spaarzaam en in het andere geval als welgesteld voordeden, en vervolgens te kijken of hun uiteenlopende gedrag ook tot verschillende prijzen zou leiden. Dat bleek inderdaad het geval te zijn: een zoekopdracht naar hoofdtelefoons leverde in het geval van het rijke personage resultaten op die gemiddeld vier keer zo duur waren. Een site waar luchtvaarttickets tegen gereduceerd tarief werden aangeboden, bracht bij de rijke consument hogere kosten in rekening. In het algemeen zorgde de locatie van de zoeker ervoor dat de prijzen soms met wel 166 procent varieerden.

Mensen ruilden echte relaties, waardoor zij zich goed voelden, in voor tijd op Facebook, waardoor zij zich slecht gingen voelen

Kortom: ja, gepersonaliseerde prijzen zijn reëel, en de mogelijkheid om daar iets mee te doen hangt af van de manier waarop wij op onze weg over het internet gevolgd worden. Dit lijkt mij een duidelijke schending van de Amerikaanse monopoliewetgeving, die volledig op de prijzen gericht is. Het is grappig en ook een beetje grotesk dat een ongekend groot apparaat dat het gedrag van consumenten in de gaten houdt geen probleem is, maar dat een soortgelijk ongekend groot apparaat dat ertoe leidt dat sommige mensen méér moeten betalen dan anderen wellicht illegaal is.

Misschien wel de grootste potentiële dreiging voor Facebook is dat de gebruikers het netwerk de rug toekeren. Twee miljard actieve maandelijkse gebruikers is een enorm aantal mensen, en de ‘netwerkeffecten’ zijn uiteraard buitengewoon groot. Maar er zijn andere internetbedrijven die mensen op dezelfde schaal met elkaar verbinden – Snapchat heeft 166 miljoen dagelijkse gebruikers, Twitter 328 miljoen maandelijkse gebruikers – en zoals we hebben gezien met de verdwijning van Myspace, ooit toonaangevend op het gebied van de sociale media, kunnen dergelijke netwerken heel snel doodbloeden als mensen massaal van gedachten veranderen.

Als algemeen bekend zou worden dat het bedrijfsmodel van Facebook gebaseerd is op surveillance zou het bedrijf om die reden wel eens in gevaar kunnen komen. De enige keer dat Facebook zijn gebruikers heeft ondervraagd over het surveillancemodel was in 2011, toen het een verandering van zijn gebruiksvoorwaarden voorstelde – de verandering die ten grondslag ligt aan het huidige model voor het gebruik van onze gegevens. De uitslag van die peiling was glashelder: negentig procent van de respondenten was tegen de veranderingen. Facebook zette die niettemin door, op grond van het feit dat zo weinig mensen de moeite hadden genomen om te stemmen.

***

Het andere ding dat zou kunnen gebeuren, op het niveau van de individuele gebruiker, is dat mensen ophouden Facebook te gebruiken omdat de site hen ongelukkig maakt. Dit is niet hetzelfde vraagstuk als het schandaal uit 2014, toen bleek dat sociale wetenschappers in dienst van het bedrijf doelbewust de news feeds van sommige mensen hadden gemanipuleerd om te zien of dat gevolgen zou hebben voor hun emoties. Het uit dit onderzoek voortvloeiende document, dat werd gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences, was een onderzoek naar ‘sociale besmetting’, of de overdracht van emoties tussen groepen mensen als gevolg van een verandering in de aard van de verhalen die werden gelezen door 689.003 gebruikers van Facebook. ‘Als er minder positieve berichten waren, maakten de mensen zelf ook minder positieve en negatievere posts; als er minder negatieve berichten waren, deed zich het omgekeerde voor. Deze bevindingen duiden erop dat de emoties waar anderen uiting aan geven op Facebook onze eigen emoties beïnvloeden, wat experimenteel bewijsmateriaal is voor besmetting op grote schaal via sociale netwerken.’ De wetenschappers lijken er niet over te hebben nagedacht hoe deze informatie door het publiek zou worden ontvangen, en het is een tijdlang een groot verhaal gebleven.

Small groene facebook rug

Misschien heeft het feit dat mensen al op de hoogte waren van dit verhaal per ongeluk de aandacht afgeleid van wat een nog groter schandaal had moeten zijn, dat eerder dit jaar werd blootgelegd in een document van het American Journal of Epidemiology. Dat document heette Association of Facebook Use with Compromised Well-Being: A Longitudinal Study. De onderzoekers waren er eenvoudigweg achter gekomen dat hoe meer gebruik mensen maakten van Facebook, des te ongelukkiger ze waren. Een stijging van één procent op het gebied van ‘likes’, klikken en status updates kwam overeen met een afname van de geestelijke gezondheid van de betreffende personen met vijf tot acht procent. Bovendien kwamen de onderzoekers erachter dat de positieve effecten van interacties in de echte wereld, die het welzijn bevorderen, geëvenaard werden door ‘negatieve associaties van Facebook-gebruik’.

In feite ruilden mensen echte relaties, waardoor zij zich goed voelden, in voor het doorbrengen van tijd op Facebook, waardoor zij zich slecht gingen voelen. Dit laatste is meer míjn conclusie dan die van de wetenschappers, die veel moeite doen om duidelijk te maken dat hier een verband ligt, maar niet per se een oorzakelijk verband. Toch gingen ze zo ver – ongebruikelijk ver – om te zeggen dat uit de gegevens ‘een mogelijke trade-off bleek tussen offline- en online-relaties’. Dit is niet de eerste keer dat een verschijnsel als dit effect is aangetoond. Samenvattend: er is veel onderzoek waaruit blijkt dat Facebook mensen zich slecht laat voelen, dus misschien zullen ze op een dag ophouden het netwerk te gebruiken.

***

Maar wat als niets van het bovenstaande gebeurt? Wat als de adverteerders niet rebelleren, overheden niet in actie komen, gebruikers niet opstappen, en het goede schip van Zuckerberg en iedereen die daarop meevaart vrolijk haar weg blijft vervolgen? We moeten nog eens kijken naar dat cijfer van twee miljard actieve maandelijkse gebruikers. Het totaal aantal mensen dat toegang heeft tot het internet – zo breed gedefinieerd mogelijk, als we tevens de traagste inbelsnelheden meenemen en de meest beroerde mobiele toegang in ontwikkelingslanden, evenals de mensen die wél toegang hebben maar daar geen gebruik van maken – is drieënhalf miljard. Daarvan bevinden er zich zo’n 750 miljoen in China en Iran, landen die Facebook blokkeren. De Russen, waarvan er ongeveer honderd miljoen op het net zitten, gebruiken doorgaans Facebook niet, omdat ze de voorkeur geven aan hun eigen copycat-site VKontakte. Laten we het potentiële publiek voor Facebook dus eens op 2,6 miljard mensen stellen.

Small groene facebook marionet

In de ontwikkelde landen, waar Facebook al jaren aanwezig is, piekt het gebruik van de site op ongeveer 75 procent van de bevolking (dat is in de VS). Dat impliceert een totaal potentieel publiek voor Facebook van 1,95 miljard mensen. Met twee miljard actieve maandelijkse gebruikers zit Facebook dus al boven dat aantal, en is de limiet van het aantal aangesloten mensen al lang bereikt. Martínez vergelijkt Zuckerberg met Alexander de Grote, wenend omdat er geen werelden meer zijn om te veroveren. Wellicht is dit een van de redenen voor de signalen dat Zuckerberg zich misschien kandidaat wil stellen voor het Amerikaanse presidentschap – zijn zogenaamd betrokken tour langs de vijftig Amerikaanse staten en de bedachtzaam luisterende houding waarin hij is gefotografeerd terwijl hij milkshakes uitdeelt tijdens een etentje in Iowa.

Wat er ook staat te gebeuren, het zal ons terugbrengen bij de twee pijlers van het bedrijf: groei en het te gelde maken van de activiteiten. Groei kan alleen voortkomen uit het aansluiten van nieuwe gebieden van de planeet. Een vroeg experiment kwam in de vorm van Free Basics, een programma dat voorzag in internetconnectiviteit in afgelegen dorpen in India, onder het voorbehoud dat de aangeboden sites door Facebook gecontroleerd zouden mogen worden. ‘Wie kan daar in hemelsnaam tegen zijn?’ schreef Zuckerberg in The Times of India. Het antwoord: heel veel boze Indiërs. De Indiase regering bepaalde dat Facebook niet de ‘internetervaring van gebruikers mocht vormgeven’ door de toegang tot het bredere net te beperken. Een bestuurslid van Facebook tweette dat ‘antikolonialisme al tientallen jaren een economische ramp is voor het Indiase volk. Waarom zou je daar dan nu niet mee stoppen?’ Zoals Taplin opmerkt ‘legde die uitspraak onbedoeld een voorheen onuitgesproken waarheid bloot: Facebook en Google zijn de nieuwe koloniale machten.’

Dus de groeizijde van de vergelijking is niet van problemen gespeend, zowel in technologisch als in politiek opzicht. Google (dat een soortgelijk probleem van de grenzen van zijn markt heeft) werkt aan ‘Project Loon’, ‘een netwerk van ballonnen hoog in de lucht, bedoeld om internetconnectiviteit aan te bieden aan mensen in landelijke en afgelegen gebieden in de hele wereld’. Facebook werkt aan een project rondom een door zonne-energie aangedreven drone, de Aquila, die de vleugelspanwijdte heeft van een verkeersvliegtuig, minder weegt dan een auto, en minder energie verbruikt dan een microwave-oven. Het idee is dat het gaat vliegen boven afgelegen, momenteel nog niet aangesloten gebieden van de planeet, tijdens vluchten die drie maanden duren. Het moet gebruikers met behulp van laser op het net aansluiten, en werd ontwikkeld in Bridgwater, Somerset. Zelfs de meest doorgewinterde Facebook-scepticus moet enigszins onder de indruk zijn van de ambitie en energie van het bedrijf. Maar het blijft een feit dat de volgende twee miljard gebruikers moeilijk te vinden zullen zijn.

Tot zo ver de groei, die zich voornamelijk in de ontwikkelingslanden zal voordoen. Hier in de rijke wereld ligt de nadruk meer op het te gelde maken van de activiteiten, en op dit terrein moet ik nu iets bekennen wat waarschijnlijk al lang duidelijk is. Ik ben bang voor Facebook. De ambitie van het bedrijf, zijn meedogenloosheid en zijn gebrek aan een moreel kompas jagen me angst aan. Dat heeft te maken met het moment van zijn creatie: Zuckerberg aan zijn keyboard, met een paar glazen drank achter zijn kiezen, die een website maakt voor de vergelijking van het uiterlijk van mensen, om geen enkele andere reden dan dat hij dat kon. Dat is het cruciale punt met Facebook, en het belangrijkste punt dat niet wordt begrepen als het gaat om de achterliggende motivatie: het doet dingen omdat het dat nu eenmaal kan. Zuckerberg weet hoe hij iets moet doen, en andere mensen doen het niet, dus doet hij het. Dat is de reden dat de impuls om te groeien zo fundamenteel is geweest voor het bedrijf, dat in veel opzichten meer weg heeft van een virus dan van een onderneming. Groei en het zich vermenigvuldigen en het te gelde maken van de activiteiten. Waarom? Er is geen waarom. Gewoon, omdat.

Automatisering en kunstmatige intelligentie zullen grote invloed gaan uitoefenen op tal van terreinen. Deze technologieën zijn nieuw en echt, en komen er nu snel aan. Facebook is zeer geïnteresseerd in deze ontwikkelingen. We weten niet waar dit heen gaat, we weten niet wat de sociale kosten en de gevolgen zullen zijn, we weten niet wat het volgende gebied van het leven zal zijn dat zal worden uitgehold, het volgende bedrijf dat het lot van Polaroid ten deel zal vallen, het volgende bedrijf dat hetzelfde lot als de journalistiek beschoren zal zijn, of de volgende reeks instrumenten en technieken die ter beschikking zullen komen van de mensen die Facebook hebben gebruikt om de verkiezingen van 2016 te manipuleren. We weten gewoon niet wat de volgende stap zal zijn, maar we weten wel dat die waarschijnlijk grote gevolgen zal hebben, en dat een grote rol zal worden gespeeld door het grootste sociale netwerk op aarde. Op grond van de activiteiten van Facebook tot nu toe is het onmogelijk dit vooruitzicht zonder enige ongerustheid onder ogen te zien.


John Lanchester is een Britse journalist en schrijver. Zijn meest recente boeken zijn de roman Capital en How to Speak Money. Dit stuk verscheen eerder in The London Review of Books.
Vertaling: Menno Grootveld

Genius In The Classroom using Trello

Source – blog.trello.com

Teachers Using Trello: How To Foster Genius In The Classroom

IMG_3066
D’aww… the feeling is mutual, guys.

Are you smarter than a fifth grader? Surely not these Geniuses, because they’re using Trello to answer the tough questions. The concept of Genius Hour has become a popular mechanism for educators to encourage their students to explore their interests. To avoid gaps in learning, much of the US curriculum is standardized. The Genius Hour movement, however, is a great way to inject open ended exploration into different aspects of our world.

The basic concept is that for one hour twice a week, students explore a topic of their choosing. They research the same topic for 12 one hour sessions, before presenting their findings on a medium of their choice.
Keep Reading